Pagina:Album der Natuur 1862.djvu/469

Deze pagina is proefgelezen
65
WETENSCHAPPELIJK BIJBLAD.

verklaart althans de kaalheid van het hoofd niet; het hoofd der Chinezen immers is niet van nature kaal, maar goed van haar voorzien.

 

Het oog nief achromatisch.Leroux heeft aan de Fransche Akademie van Wetenschappen in hare zitting van 2 Junij l.l. eenige proeven medegedeeld over dit onderwerp, die volgens hem niet alleen bevestigen wat door wollaston, arago, frauenhofer en lateren bekend was, maar ook aantoonen, dat eene chromatische aberratie in het oog wezenlijk door de brekende middenstoffen wordt voortgebragt en dat het verschijnsel niet aan eene ongelijke gevoeligheid van verschillende deelen der retina voor verschillende kleuren kan toegeschreven worden.

Het door hem gebezigde toestelletje is als volgt ingerigt. In eene huis is een metalen plaatje bevestigd, dat in het midden eene zeer kleine opening heeft en daarvoor eene bolle lens, waardoor men die opening vergroot en hare randen scherp ziet. Aan het andere eind der buis is een donker blaauw glas geplaatst, dat slechts blaauwe en roode stralen doorlaat. Rigt men nu dit glas naar de zon en ziet men door de lens, dan heeft men het in zijne magt om of één violet of twee duidelijk van elkander gescheiden beelden te zien, het eene rood en het andere blaauw. Men behoort hierbij zorg te dragen om door een scherm het indringen van vreemd licht in het oog te beletten. Door dit laatste verkrijgt men namelijk eene zoo groot mogelijke dilatatie der pupilla van het beschouwend oog en daarmede de mogelijkheid om de stralen zeer excentrisch op de kristallens te doen vallen, dus de scheiding der beelden zeer duidelijk te doen zijn. Door voor het gekleurde glas nog eene schijf uraanglas van minstens een centimeter dikte te plaatsen, onderschept men de ultraviolette stralen en wint men aan scherpte der beelden.

 

Het bevriezen van zoutoplossingen. — In den vorigen jaargang, bl. 24. van dit bijblad is naar aanleiding der proeven van walker en dufour te Geneve er op gewezen, dat de lang aangenomene afscheiding van zout uit eene oplossing in water door bevriezing nog niet volkomen ontwijfelbaar mogt worden geacht. Rudörff (Monatsbericht der K. Pr. Akad. d. Wissenschaften zu Berlin, 1862, pag. 63, en daaruit in Philosoph. Magazine. Junij 1862, p. 561) heeft hierover op nieuw onderzoekingen gedaan en in tegenspraak met zijne laatste voorgangers de zaak volkomen bevestigd gevonden. De overtuigendste onder zijne proefnemingen is misschien wel die met eene oplossing van zwavelzure soda, welke hij beschrijft in de volgende woorden.