Pagina:Album der Natuur 1862.djvu/487

Deze pagina is proefgelezen
 

WETENSCHAPPELIJK BIJBLAD.

 

 

Nevelvlekken.—In eenen brief aan quetelet berigt j. herschel, dat hij zich onledig houdt met het zamenstellen van eenen catalogus van alle bekende nevelvlekken. Daarin maakt hij ook gewag van het verdwijnen van nevelvlekken en voegt bj het reeds bekende voorbeeld een tweede, namelijk dat van eene der door zijnen vader in 1784 en 1787 waargenomen nevelvlekken, die thans onzigtbaar is geworden. Ook vermeldt hij het verschijnen van eene schitterende ster, zonder eene deze verzellende nevelvlek op de plaats van eene der door messier opgetelde nevelvlekken, waargenomen door pogson en auwers. Een en ander wijst op veranderingen, die in deze ver afgelegene streken van het hemelruim schijnen plaats te grijpen. (L' Institut, 1862, p. 264).

 

Meteoorsteenen.—Den 28 Februarij 1857, omstreeks den middag, vielen bij het dorp Parnallee, in zuidelijk Hindostan, met eenen tusschentijd van een paar seconden en op omstreeks drie kwartier afstands van elkander, twee groote meteoorsteenen, waarvan de kleinste 37 E. ponden woog, terwijl de grootste nog drie- of viermaal zwaarder was. Zij maakten bij hunnen doorgang der lucht een geraas, dat tot op vijf of zes uren ver van de plaats, waar zij vielen, gehoord werd. Opmerkelijk bij dien val was, dat, gelijk bleek uit de rigting van het gat, dat zij in den grond geslagen hadden, de kleinste bijna loodregt viel, terwijl daarentegen de andere onder eenen hoek van 15° met de loodlijn den grond trof. Dit verklaart ook, waarom de eerste, ofschoon minder zwaar, tot op eene diepte van twee voet en acht duim, de tweede slechts twee voet vijf duim in den trouwens op dit punt bovendien harderen grond is gedrongen.

Eene analyse van den kleineren steen is gedaan door taylor, waarbij bleek, dat deze ook merkwaardig is door zijn buitengewoon groot gehalte aan nikkel, dat niet minder dan 17 proc. bedraagt, terwijl er slechts 3 proc. ijzer in voorkomt. (L' Institut, 1862, p. 276).

 
1862.
11