Pagina:Arbeiders.djvu/196

Deze pagina is proefgelezen

194

alleen den sleutel bezat, op zijn bureau kwam, kostte het hem op het gezicht van de twee zonderlinge gestalten, die er zaten, groote moeite eenen vloek te weerhouden.

De opperloods stond dadelijk op en begon de zaak zoo voor te dragen, alsof hij een van buiten geleerd lesje op zegde. Tot Njaedels ongeveinsde bewondering sprak hij den minister telkens met "Uwe Hoogheid" aan.

De minister staarde hem een oogenblik aan, opende daarna de deur van het vertrek van den secretaris, die voor de verzending van de ingekomen stukken naar de verschillende afdeelingen zorg moest dragen, en vroeg:

"Wat zijn dat voor lieden, die daar binnen zitten?"

"Ik weet het niet.... neen werkelijk ik weet het niet, Excellentie," antwoordde de secretaris, een klein mager man met grijs haar; de bureau-chef Delphin heeft hen hier gebracht, ik weet er niets van.... volstrekt niets."

"Dat is juist iets voor u," mompelde de minister, ga den bureau-chef zeggen, dat ik hem verzoek dadelijk hier te komen."

"Oogenblikkelijk... oogenblikkelijk... Excellentie!" en met eenen sprong was hij van den kantoorstoel, liep een paar maal geheel ontdaan rond om zijnen hoed te zoeken, doch zich bij tijds herinnerende, dat hij de straat niet op behoefde, liep hij eindelijk naar Delphin's kamer, om deze de boodschap van den minister over te brengen. De minister liep terwijl hij op Delphin wachtte, de kamer op en neer; de opperloods was stom van verbazing en begon de geheele affaire vrij dwaas te vinden. De minister had er gedeeltelijk zelf toe bijgedragen, dat Delphin zoo snel eene schitterende carriére had gemaakt. In den laatsten tijd echter was hij niet al te zeer over hem voldaan; hij begon hem een weinig te wantrouwen, en had zich voorgenomen, om hem, zoodra zich een gepaste gelegenheid voordeed, aan te raden, naar eenen post in eene der kleine steden te solliciteeren.