Pagina:Arbeiders.djvu/83

Deze pagina is proefgelezen
81

De brillenglazen moeten naar behooren gepoetst worden, de enveloppe moet bekeken en eindelijk voorzichtig aan den bovensten kant worden geopend. Het was een breed grijs omslag van het Departement en met lak verzegeld. "Den Hoog edelen Heer, den Opperloods Lauritz Boldemann Sechus" zoo luidde het adres.

"Bl...., wat een omhaal!" mompelde de opperloods.

"Door dezen wordt u de ontvangst meegedeeld van twee brieven gedateerd den eersten September en den twintigsten October laatstleden. Daar Gij de volmacht mijns broeders in zekere zaken schijnt te bezitten, zoo wend ik mij tot u met mijn schrijven, om u te verzoeken, mijnen evengenoemden broeder den inhoud er van mede te deelen. Uit het hierboven reeds geciteerde schrijven van den twintigsten October schijnt te blijken, dat mijn broeder de niet zeer gegronde meening schijnt te koesteren, dat de twist, die tusschen hem en den pachter Sören Borevig aangaande het recht op zeewier ontstaan is, reeds onmiddellijk ter behandeling zou zijn voorgekomen. Zulks is intusschen niet het geval. Ten gevolge van andere rechtszaken, die eerst afgehandeld moeten worden, hebben wij ons met de genoemde zaak nog niet bezig kunnen houden."

Sechus hield even met voorlezen op.

"Lees dat nog eens," zeide Njaedel.

De opperloods las het begin van den brief nog eenmaal langzaam voor.

Njaedel schudde het hoofd; op eens sprong hij heftig van zijnen stoel en sloeg met de vuist zoo hard op de tafel, dat het brillenhuis van zijnen vriend hoog in de lucht sprong.

"Nu, nu Njaedel, maak je niet zoo driftig.... de brief is nog niet uit, misschien komt het beste op het eind."

Vooral wordt de opperloods verzocht het mijnen broeder duidelijk te maken, dat eene zaak van zulk eenen grooten omvang als de bovengenoemde niet zonder veel extra-