Pagina:Architectura vol 005 no 012.djvu/1

Deze pagina is proefgelezen

VIJFDE JAARGANG No. 12.ZATERDAG 20 MAART 1897.

ARCHITECTURA / ORGAAN V.H. GENOOTSCHAP ARCHITECTURA ET AMICITIA
ARCHITECTURA / ORGAAN V.H. GENOOTSCHAP ARCHITECTURA ET AMICITIA

UITGEVERS: J. VAN DER ENDT & ZOON MAASSLUIS.

Redactie: jos. th. j. cijpers, j. l. m. lauweriks, johs. b. lambeek jr., l. f. edema van der tuuk en k. de bazel.
bijdragen voor het blad te zenden aan den heer k. de bazel, nicolaas beetsstraat 118, amsterdam en alles, wat de administratie van het genootschap betreft, aan den 1sten secretaris, american-hotel, te amsterdam.
voorwaarden van het lidmaatschap: het orgaan met technisch gedeelte wordt wekelijks franco toegezonden aan alle leden van het genootschap. de jaarlijksche contributie voor het lidmaatschap bedraagt:
voor gewone leden . . . . . . . . . . . . . ƒ 12.—
  „   kunstlievende leden . . . . . . . . . „ 10.—
  „   buitenleden en aspirant leden . . . . . „ 7.50


MEDEDEELINGEN VAN HET GENOOTSCHAP.

1o. Als buitenlid zijn toegetreden de heer g. hulsebosch te haarlem en h. van lingen, architect te arnhem.
2o. Tn den kalender 1897 van het genootschap is vergeten de heer j. h. leliman, Eere-voorzitter en mede-oprichter van het genootschap, onder de eere-leden op te nemen, een titel waarop hij sedert 1855 recht heeft.
3o. In punt 10 van de mededeelingen in het vorig blad moet worden gelezen: op de laatstverschenen 3e en 4e aflevering 7e jaargang van „de Architect” staat abusievelijk gedrukt 1897, moet zijn: 1896.


VER­SLAG DER 1052STE GE­WO­NE VER­GA­DE­RING, GE­HOU­DEN IN HET GE­NOOT­SCHAPS­LO­KAAL, AME­RI­CAN-HO­TEL, LEID­SCHE­PLEIN AL­HIER. op woens­dag 17 mrt. 1897.

De voorzitter, de heer jos. th. j. cuypers, opent de vergadering.
Hierna werd overgegaan tot de behandeling van punt één der agenda — en voorgelezen een brief van de Maatschappij ter bev. der Bouwkunst, waarin het bestuur van het genootschap wordt uitgenoodigd om met dat der Maatschappij het initiatief te nemen voor het vormen van eene afdeeling bouwkunst op de wereld-tentoonstelling te brussel.
Het bestuur had op dit schrijven geantwoord dat met het oog op den korten tijd van voorbereiding geen gevolg kon worden gegeven aan deze uitnoodiging.
Vervolgens werd voorgelezen een schrijven van de: commissie ter behartiging van de belangen der Nederlandsche inzenders op de tentoonstelling te Brussel.
De voorzitter deelde mede dat hoewel reeds een weigerend antwoord aan de Maatschappij was verzonden, nochtans het bestuur, indien dit door de vergadering gewenscht werd, op dat besluit zou willen terugkomen en vroeg dus over deze quaestie het oordeel der vergadering.
De heer paul de jongh meende dat de quaestie beslist was door het antwoord van het bestuur, terwijl de heer nijhoff van oordeel was dat het beter was het bestuursbesluit te handhaven.
De voorzitter deelt in het kort de geschiedenis dezer zaak mede op grond waarvan het bestuur gemeend had te moeten handelen zooals gebeurd was, er echter nogmaals op wijzende dat de vergadering het recht had zich uit te spreken.
De heer de jongh merkt op dat de groote bouwkundige vereenigingen zijn uitgenoodigd en stelt voor om mede te werken.
De heer nijhoff wenscht het eenmaal genomen besluit te zien gehandhaafd, hoewel hij het verloop ervan betreurt.
De heer van boven wijst op den korten duur der voorbereiding die een ernstig medewerken in den weg staat.
De heer de bazel vraagt of er gelegenheid is om met de andere schoone kunsten te exposeeren. De voorzitter antwoordt dat dit niet het geval is.
Bij mondelinge stemming wordt daarop het voorstel van den heer de jongh verworpen met 7 stemmen tegen 3.
Hierna werd het woord verleend aan den heer nijhoff voor zijne voordracht getiteld: „Bouwkundige opstellen.” Spreker begon met eene beschouwing over stijlstudie die hij alleen van waarde achtte voor het zich eigenmaken der goede principen die aan elken stijl ten grondslag liggen, het van buiten leeren echter van de kenmerkende verschillen tusschen verschillende stijlen vond hij waardeloos, evenzoo het bouwen in stijl, dat toch louter navolging was. Alleen bij Restauratie voor een oud gebouw kon er van nabouwen sprake zijn. Hierna ging hij over tot eene uitvoerige beschrijving van het uit- en inwendige der Notre Dame te parijs. Aan het einde hiervan werd de spreker geapplaudisseerd, waarna de voorzitter hem dank zeide voor zijne interessante bijdrage en de gelegenheid openstelde voor het richten van vragen tot den heer nijhoff. Hierop volgde een geanimeerd debat waaraan door de heeren cuijpers, v. d. tuuk, de bazel en lauweriks werd deelgenomen.