Pagina:Baumhauer1848WijLevenindeNatuur.djvu/45

Deze pagina is gevalideerd

— 41 —

van 23 Mei 1845. Onder de kundigheden die van den aanstaanden kweekeling onzer Hoogescholen en Athenaea vereischt worden, vinden wij, behalve de kennis der grieksche en latijnsche talen, b.v. die der wiskunde,—van natuurwetenschappen geen enkel woord.

Zijn dan de natuurwetenschappen voor den aanstaanden regtsgeleerde, godgeleerde, geneesheer en philoloog onnoodig?

Komt niet de regtsgeleerde in zijne administratieve loopbaan telkens met natuurvoorwerpen in aanraking? moet hij als zaakverzorger niet natuurzaken verzorgen? Zal hij als regter steeds afhankelijk moeten wezen van het oordeel van anderen, van het oogenblik af dat de eenvoudigste natuurkennis gevorderd wordt? Hoe zal hij handelsregt, landhuishoudkunde, statistiek verstaan zonder de kennis der Natuur? De regtsgeleerde leere uit de natuur wat wetten zijn, en toetse zijne wetten aan de Goddelijke wetten, in welke geen willekeur te vinden is; en zoo zullen de natuur-