Pagina:Bilderdijk, Navonkeling 1 (1854).djvu/14

Deze pagina is proefgelezen

— 16 —

Dan dat Gy gruwlen aan zoudt zien,
Wat zwijgt Uw machtwoord voor de logen
En laat de wrevelzucht gebiên?
Wat zou ’t bootseersel van Uw handen
Gelijk zijn aan ’t geschubde vee — ?
De prooi zijn van elkanders tanden
In wet- en heerscherlooze zee?
Wat zou ’t als wriemlend ras der wormen
Zich-zelf verslinden, woest door één;
Hier, weggesleept door blinde stormen.
En daar, van ’s wandlaars voet vertreên.
Doe, Vader, doe de donders klateren
Die Uw getergde hand besluit.
De boze zet op alle wateren
Zijn fuik en schakelnetten uit.
Hy zwaait de schalke hengelroede
Die door ’t bedrieglijk aas verlokt,
En juicht in de opgezette woede
Waar ’t moordberamend hart van wrokt.
Wat rookt, wat offert ge aan uw garen?
Wat aan uw angel? ijdle dwaas!
Noch boozer, in uw hart gevaren,
Verstikt u-zelv’ aan ’t eigenst aas.
Hy zweept, hy sleept u tot verdelgen,
Beeft, slaven van de Macht der Hel!
Maar God, zie neêr op Batoos tegen,
Dien blinden slaven thands te spel!
Daal, God der wrake, ja daal neder,
Verbreek het juk van ’t Vaderland;
Herstel den Koningsschepter weder;
En leg het Heidendom aan band!

1824



 

Tafereel uit Herodes Kindermoord.

Φώνη ἐν Ρ'αμᾶ ἠκούσθη, θρῆνος καὶ κλαυθμὸς καὶ
ὀδυρμὸς πολύς·
Ρ'αχὴλ κλάιουσα τὰ τέκνα ἀυτῆς, καὶ οὐκ ἤθελε
παρακληθῆναι.
't Was nacht geweest en de eerste morgenstralen
Vergulden reeds te toppen van 't geboomt';
De zangtoon zweeg der schuwe nachtegalen,
En de Oosterkim was rijk met goud omzoomd:
En de leeuwrik thands van uit den slaap geschoten
Stortte in de lucht den dag haar welkom uit,