Pagina:Bilderdijk, Navonkeling 1 (1854).djvu/53

Deze pagina is proefgelezen

— 55 —

Die aan de wolk heur spitsen bieden;
Die regen, wind, noch zonnestraal,
Noch tijdreeks, ooit om verr’ zal stooten;
Ik gun u dien, mijn Kunstgenooten,
Zoo goed alk kaak of geeselpaal.

Maar dat het laf en dom gebroed
Dat thands den naam voert van Poëeten
(Gezond verstand en taal vergeten,)
Naar paarlen in den misthoop wroet,
En dan malkander wil verplichten
Met zuilen IN HUN HART te stichten,
Dat stuit mij, zoo ik ’t zeggen moet.

Een EERZUIL, in het HART gesteld!
Een Eerzuil, die de wolk moet trotsen,
Bestendig als inwrikbren rotsen, —
Zoo groot pas als een bakerspeld!
ô Wat een prachtige verooning,
Wel waardig een Eyptische Koning,
Zoo ’t hart hun niet de keel ontzwelt!

’t Is waar, zy blazen wonder fel,
En weten ’t lijf er naar te zetten,
Als ’t aankomt op wat loftrompetten:
Hun longen maken ’t overwel!
Maar ’t hart…? Och, ’t mag wat rooks verslikken,
Een peperkorntje deed het stikken,
Een druifkorl zat er in den knel.

Nu! Of gy ’t rekt of openspart
Met blazen, proeften, poffen, brommen;
Al sticht ge er zuilen of kolommen
Voor ieder uws gelijken Bard;
Ik zal het aanzien zonder pruilen:
Ik wil Paleis noch Eerezuilen,
Ja zelfs geen plaatsjen, in uw hart.

1824.



 

Noodhulp.


Wanneer uwz ’t uwnck op ’t gjalpst’ oerstjolpt,
Ja d’ hele wrâd uws fijnne’iz,
Den iz ’t saeck neust’ dat God uwz holpt,
In fierst, az ’t neyst ijn schijn iz.



GYSBERT JAPIX.
Als ’t prangen van den nood hevigst overstelpt,
En alles ons vervolgt en woedend gaat verslinden,