Pagina:Bilderdijk, Navonkeling 1 (1854).djvu/62

Deze pagina is proefgelezen

— 64 —

Waar ik naar een bloemtjen tast;
Netels doen mijn vingers branden;
Klitten kleven aan my vast.
’t Wordt steeds woester voor mijn oogen,
Naar ik verr’ en verder stap:
’t Zie my van een mist omtogen;
’k Hoor het aaklig uilgeknap;
’k Hoor de ravens om my krassen;
Padde en kikvorsch springt my voor!
Neen, dit voert my in moerassen,
’k Ben hier in het Jammerspoor.
’t Voert ten stikspoel van ellenden;
Medgezellen, houdt hier stand!
Laten we onze schreden wenden.
Dit ’s geen weg naar ’t Vaderland.
Hier is slechts de dood te vinden
Als de dag zijn stralen dooft;
Keeren wy, mijn lieve vrinden,
Eer de nacht ons stort op ’t hoofd!
De ingang zeker was vermaaklijk,
":En zijn schoon beloofde veel.
De eerste braambes was ons smaaklijk,
Schoon wat brandende in de keel;
Sierlijk praalde ze ons in de oogen;
Doch een aantal schreden meer,
Was dat eerste fraai vervlogen,
En men zag geen bezie meer.
Telken voetstap meer verwilderd,
Hobbelde ’t met bocht by bocht,
En, hoe schoon ook afgeschilderd,
’t Werd welhaast een zure tocht.
Effen was het, naar ’t vertellen;
Met jasmijn en roos doorbloeid;
En omheind met muskadellen,
Van wier sap de bodem vloeit.
Lichtgeloovige, als wy waren,
Hebben wy dien weg beproefd,
En er meer nog van ervaren
Dan ter kennis had behoefd.
Komt! het ander pad gekoren!
’t Zij wat steenig in ’t begin;
’t Zal ons niet in ’t slijk versmooren,
Maar het leidt ten hemel in.

1824.