Pagina:Bilderdijk, Navonkeling 2 (1854).djvu/47

Deze pagina is proefgelezen

— 49 —

Almachtige, verkort het jammer dezer tijden,
Voleind uw Godlijk werk, herstel uw Godsgezag!
Nog zijn er harten, ja, die Jezus zoen belijden,
Nog harten die zich-zelv’ de dienst huns Heilands wijden,
Nog zijn er, die de Hel in Jezus naam bestrijden,
Verhoor, en geef ze een kracht die niet bezwijken mag!

1825.



 

Rechtspraak.

Quod enim est jus, quad neque inflecti gratia, neque
perfringi potentia, neque adulterari pecunia possit.

CICERO.
Waar is, waar was, ooit wet of regelmaat gesticht,
Die voor geen gunst, geen goud, geen macht of invloed zwicht?
Wat wederstaat op aard dat viertal van tyrannen,
Die dikwijls met elkaâr voor ’t onrecht samenspannen,
De weegschaal zinken doen by ’t siddren in de vuist
Die ze aangreep, voor een drift die door den boezem bruischt,
De gunst in ’t lijnwaad kleedt van menschlijk mededogen,
De schittring van het goud ontvlammen doet in de oogen,
Of de eerbied voor ’t gezag (hier plichtlijk wederstaan,)
Den scherpen waarheidsblik bedremmeld neêr doet slaan,
Of onbemerkt vergif waarvan de hersens draaien
De hand en d’ evenaar gelijklijk om doet zwaaien?

Ach, weet gy ’t, wat het heet, gy Rechters, prat op macht,
Als m’, in zich-zelv’ gekeerd, den rechteplicht betracht;
En God ten tuige neemt by elke vonnisvelling?
Dringt ge al het foltrend door de enge hartbeknelling,
Als zich ’t gemoed beproeft voor hooger rechterstoel,
Of niet een heimlijk iets zich mengt aan ’t zielsgevoel,
Waardoor ’t geene inspraak is van onvervalschte waarheid,
Maar, zwakte of wanbegrip als dóórwalmt door haar klaarheid?
Is elk te rugzicht op uw zelfheid afgesneên?
Doen geen vooroordeel, trek, geneigd, afkeerigheên,
(U-zelven in dit uur misschien nog diep verholen,
Maar ingeweven in uw denkwijs,) ’t oordeel dolen?
Met één woord, is uw hart zoo onberisplijk rein,
En is ’t zoo onbewolkt, zoo helder, in uw brein,
Of de Almacht in wier naam gy ’t vonnis staat te vellen,
Den spiegel van zich-zelve in u had voor te stellen?
Geef andwooord, zoo gy ’t durft, rampzalig menschenkind,
Of sidder voor den God wiens plaats ge u onderwindt!