Pagina:Bilderdijk, Rotsgalmen 2 (1854).djvu/17

Deze pagina is proefgelezen

— 19 —

En Takken, die uw Zilver strooit
ô Hofgeschenk der Hesperieden
ô ! Wortel ge onuitroeibaar vast;
En, Holland, leer het onkruid wieden
Dat op uw grond zoo welig wast!
Verstikkend onkruid, paddestoelen,
En al-omslingerende kweek!
Weer mollen die den Hof doorwoelen
En sproei hem uit een zuivre beek!
Ja! Neêrland, ja, gy zoudt bezwijken,
Deed eens ’t verderf dien Stam vergaan.
Met hem verwint gy Koningrijken;
Zijn bloei is Nederlands bestaan.

1824.



 

Storm.

Intersusa nitentes
Vites aequora Cycladas.

HORAT.
Wat voeren nieuwe en hooger vloeden
ô Staatshulk u te rug in zee!
Wat doet ge? Zoek, ô zoek de ree’.
Een zwangre bui van tegenspoeden
Rukt aan. Uw roerpen schokt en schudt,
Door duizend handen aangegrepen;
Uw Stuurman zit, in ’t hart benepen,
Belegerd, raadloos in de hut.
De stormwind die de lucht doet schateren,
Verkracht den helmstok, buigt de mast;
De raas en stengen lijden last,
En want en luik en berders klateren;
De kiel aan ’t werken wringt en kraakt;
En zeil- en touwwerk rijt aan flarden;
Geen middel meer om ’t uit te harden
Daar zee en lucht verwoesting braakt!
Wat trots ge op beeldwerk, fraai gehouwen?
Al spalkt uw boegleeuw oog en tand,
De golven geeslen u naar ’t strand,
En spotten met een dwaas vertrouwen
Op namen die de spiegel draagt!
ô Wrak gestel van eiken planken,
Wat stiert gy tusschen rots en banken
Waar op u ’t Weêr te barsten jaagt?

ô Kostbre romp, ô rijke lading!
Ach! stondt gy ’t razend onweêr door!