Pagina:Bosboom-Toussaint - Negen Novellen, 1883.djvu/66

Deze pagina is proefgelezen

krip, gegarneerd met kleine bouquetten van fijne agaatrozen, niet noodig had, om onder al de dames van het bal te worden opgemerkt. Eene wit satijnen mantille, met dons omzet, scheen zij in haast te hebben omgeslagen tegen den gevaarlijken overgang van eene danszaal naar eene tochtige trap; want dat ze die vroolijke plaats ontsnapt waren, dit allerliefste paar, bleek evenzeer uit hunne kleeding, als uit den gloed hunner wangen, die zij met het gebruiken harer waaier trachtte te bekoelen.

— Heb ik het niet gezegd, Maurice! sprak de dame tot den jongen man, die rondzag, of hij het zich maar niet duidelijk kon maken, hoe hij zich hier bevond, heb ik het u niet gezegd, dat zij nog zat te werken, de goede juffer! en nog zoo laat! en Honorine naderende, voegde zij er bij: en zie, juist aan mijn kleed, ik herken de kanten…

— Mevrouw!… Mejuffrouw! sprak de naaister verlegen… uwe tunique, gij wilt zeker passen…

— Ach! dat is onnoodig… maar, lieve juffer, wij komen u een dienst vragen, mijnheer De Cerny en ik, en een voorstel doen, iets tot uw voordeel en tot ons geluk o! Weiger niet… ik bid u… luister… en zij liet zich op een stoel nedervallen, dien zij dicht bij Honorine schoof, haar wenkende, om zich te zetten.

— Wilt gij dit… kamertje verlaten, bij ons komen inwonen, bij mijnheer De Cerny en mij, als wij gehuwd zijn? Wij krijgen een hôtel te Parijs en een buiten te Montreuil; wij zullen u huishoudster maken in het eerste of rentmeesteres op het andere, naar gij verkiezen zult… wij zullen u verzorgen voor geheel uw leven.

— Maar, mejuffrouw! waaraan kan ik te danken hebben…

— Wij zullen u genoeg verschuldigd zijn; maar gij moet ons helpen… wilt gij?

— Als het in mijne macht is, mejuffrouw…

— o! Zeer zeker, zeer zeker, zie maar eens, Maurice? — en de levendige jonge dame nam Honorine, die in