Pagina:Bosboom-Toussaint De graaf van Devonshire (1884).pdf/238

Deze pagina is proefgelezen

XV.
Broeder en zuster.



Een aanzienlijk en hoogwaardig gerechtshof hield zitting in de groote zaal van Westminster. Het was kennelijk aan den meer dan gewonen ernst der pairs, aan de sombere deftigheid der maarschalken en sheriffs en zelfs aan de gewichtige houding en het strakke gelaat der deurwachters, dat het geene gewone zitting over eene gewone misdaad kon zijn. Dat was zelfs merkbaar in de schikking der zaal. Die grootsche Gothische hal, bekend in de geschiedenis door menig belangrijk feit dat er plaats vond, was met toortsen en lampen verlicht, want het was avond. Het glanzen van die lichten op het gebeeldhouwde steen der zuilen; de ernstige pracht van die donkerbruine, rijk uitgesneden eikenhouten gestoelten, bekleed met purperlaken en versierd met de wapens des koninkrijks en die van het regeerend Huis, of met de zinnebeelden van gerechtigheid en godsdienst; die stoel tegenover de rechters, bedekt met geel, toen nog de kleur van rouwen misdaad; — dat alles had een aanzien van statigheid en vervulde de ziel met angstige verwachting. De beschuldigde was ook een doorluchtig persoon. Toen men hem binnenleidde, bloosden sommigen zijner rechters en zagen vóór zich neder, als schuwden zij zijn blik. Voor velen hunner was het ook een weldoener, dien zij gingen vonnissen. De voorzitter alleen zag hem in de oogen. Er lag te veel zegepraal in dien blik van den rechter op den aangeklaagde, dan dat men op onpartijdigheid mocht rekenen.