Pagina:Darwin - Het ontstaan der soorten (1860).djvu/169

Deze pagina is gevalideerd
153
BLINDE DIEREN IN HOLEN.

wone gezigtwerktuigen langzamerhand gedurende vele generatiën verhuisd zijn van de oppervlakte der aarde naar al diepere en diepere grotten van de holen in Kentucky, zooals de europesche dieren deden naar de holen van Stiermarken. Wij hebben eenige reden om te gelooven dat het op die wijze gegaan is; immers schlödte zegt: "dieren die niet veel van den gewonen vorm verschillen, maken den overgang van licht tot duisternis. Daarop volgen die welke voor de schemering zijn geschikt, en ten laatste die welke voor eene volkomene duisternis zijn bestemd." Tegen den tijd dat een dier, na tallooze generatiën, de diepste grotten had bereikt, zal het onbruik zijne oogen min of meer volkomen gesloten hebben, en de natuurkeus zal dikwijls andere veranderingen veroorzaakt hebben, zooals eene verlenging van de voelers of tasters, als eene vergoeding voor het verlorene gezigt. Niettegenstaande zulke wijzigingen mogen wij nog verwachten bij de grotdieren van Amerika verwantschappen te zien met de andere bewoners der landstreek, en bij die van Europa met de bewoners van het europesche vaste land. En dit is ook werkelijk het geval met eenigen der amerikaansche grotdieren, naar ik van Prof. dana verneem; en eenigen der europesche grotinsekten zijn zeer na verwant aan die van het omringende gewest. Het is zeer moeijelijk eene redelijke verklaring te geven van de verwantschappen der blinde grotdieren tot de andere bewoners der twee werelddeelen, uit het oogpunt van eene onafhankelijke schepping dier wezens. Dat verscheidenen van de grotbewoners der oude en nieuwe werelden na verwant zijn, kunnen wij nagaan volgens de welbekende betrekkingen van de meeste anderen hunner schepselen tot elkander. Verre van verwonderd te zijn dat eenige grotdieren zoo hoogst ongewoon en zoo vreemd zijn, gelijk agassiz heeft opgemerkt bij den blinden visch Amblyopsis, en gelijk het geval is met den olm, Proteus anguineus, onder de europesche kruipende dieren, verwondert het mij slechts dat er niet meer wrakken van oud leven zijn bewaard gebleven, ten gevolge van de zeer zwakke