Pagina:De Duinen en Bosschen van Kennemerland, Van Eeden 1868.djvu/69

Deze pagina is gevalideerd

51

de bovenste oppervlakte van den hoed is zilverwit. Deze paddestoel is zijn naam waardig: schoon én zeer vergiftig. In paddestoelen van verbazenden omvang (vooral Boletussoorten) doet de Vogelenzang niet onder voor den Haarlemmerhout. De geheele aanblik herinnert ook hier en daar aan het Haagsche Bosch:—iets kouds en statig-officiëels mengt zich aan het meer vrolijke, landelijke. Ongetwijfeld zijn het Haagsche Bosch en de Vogelenzang eenmaal een onafgebroken bosch geweest.

Zandiger en woester zijn de onmiddellijk aan de Vogelenzang grenzende plaatsen Woestduin en Leiduin. Daar vinden wij grooter vakken met jong hout, minder zware boomen en meer lagchende open eikenlanen, en hoe meer wij van het oude Manpad noordwaarts gaan, hoe zonniger, duinachtiger, warmer van toon het landschap wordt.—Op het weiland vóór Woestduin en ook in de bosschen aldaar groeit de Narcis (Narcissus Pseudo-Narcissus L.) in breede, hooge bosjes, en geeft zeer vroeg in het voorjaar haar groote gele, trompetvormige bloemen. De hier groeijende exemplaren zijn waarschijnlijk overblijfselen uit een laan of tuin, die voorheen op deze plaats gevonden werd.—Maar hetzij zij verwilderd zijn of niet, hun veeljarige welige groei zegt ons genoeg en doet ons hen aanmerken als genaturaliseerd.

De boschjes van Leiduin, Mariënbosch, Boekenrode en Bentveld zijn als 't ware overgangen van het Hollandsche Bosch tot den plantengroei der duinen. Het aantal planten neemt toe, en de boschplanten vermengen zich meer en meer met de kinderen der duinflora.—De grond is ongelijk, heuvelachtig. Tusschen de groene eiken verheffen zich hier en daar de donkere dennen. Beuken zijn zeldzamer. Slechts op Boekenrode en achter deze plaats ziet men beuken. De dennenlanen loopen schilderachtig door het jonge hout. Onder de dennen groeijen talrijke mossoorten met haar fluweelachtig groen, en daartusschen de bleeke, bijna blaauwgroene levermossen (Radula complanata dum.), die hier groote lichte plekken vormen.—Uren lang dwalen wij door deze aaneengeschakelde boschjes; nu eens komen wij aan opene plaatsen, waar aardap-