Pagina:De voeding der planten (1886).djvu/164

Deze pagina is gevalideerd
156
DE SCHEIKUNDIGE BESTANDDEELEN DER PLANTEN.


het gewicht van het gebruikte zaad. Daarna werd het stikstof-gehalte van de geoogste droge stof bepaald. Evenzoo werd door onderzoek van een aantal tot dezelfde soort behoorende en met het uitgezaaide zoo nauw mogelijk overeenkomende zaden, het stikstof-gehalte van het gebruikte zaad berekend. Vergeleek men de beide gevonden waarden, dan vond men geen verschil, waaruit dus volgde dat het stikstofgehalte bij deze proef niet was toegenomen. De vermeerdering van het drooggewicht had dus slechts de stikstofvrije bestanddeelen betroffen. Daar nu deze plant, even goed als andere, in de vrije lucht levende, steeds overvloedigen toevoer van vrije stikstof gehad had, zoo blijkt hieruit, dat deze voor de productie van stikstofverbindingen in het plantenlichaam niet geschikt is, of dat zij, gelijk wij het boven noemden, door de plant niet verteerd kan worden.

Gaan wij thans over tot de behandeling van die elementen, welke de asch, d.i. het onverbrandbare gedeelte van de plantenstof, samenstellen. Van tallooze planten is de asch onderzocht geworden en zijn niet alleen de stoffen opgegeven, waaruit zij bestond, doch ook de hoeveelheden, waarin elk dezer stoffen in bepaalde hoeveelheden asch waren aangetroffen. Er is in de geschiedenis der planten-physiologie en vooral van hare toepassing op den landbouw, een tijdperk geweest, dat men alle heil in zulke onderzoekingen zocht en meende door deze tot de kennis van de voornaamste voor den landbouw belangrijke wetten van het plantenleven te kunnen geraken. Thans is deze periode voorbij en worden andere wegen ter bereiking van hetzelfde doel ingeslagen, en de reden, waarom de vroegere methode verlaten werd, lag voor een groot deel in de uitkomsten dezer onderzoekingen zelve. Het aantal dezer zoogenoemde asch-analysen is zoo groot, dat zij ons met zekerheid alle belangrijke stoffen, die in de asch van verschillende planten voorkomen, hebben leeren kennen. Bedenkt men daarbij, dat niet alleen cultuurplanten, doch ook allerlei in het wild groeiende gewassen, uit alle afdeelingen van het plantenrijk, van de meest verschillende levenswijze, zoowel ondergedoken slootplanten, als planten die droge streken beminnen,