Pagina:De voeding der planten (1886).djvu/25

Deze pagina is gevalideerd
17
DE BOUWSTOFFEN VAN HET PLANTENLICHAAM.


bloemscheede omsloten, en zoodoende is het verlies van warmte slechts gering. Een rijke bron en een geringe kans op verlies maken dus dat de ontstane warmte, zoo ergens in het plantenrijk, vooral hier moet kunnen aangetoond worden.

Fig. 2.

Bloemscheede en bloeikolf van den
kalfsvoet (Arum maculatum).

Dit is dan ook werkelijk het geval. Men behoeft slechts den bol van een thermometer naast de bloeikolf in de bloemscheede te steken, om zich daarvan te overtuigen. Zulk een thermometer wijst een veel hoogere temperatuur aan dan die van de buitenlucht; bij den gewonen, bij ons in bosschen niet zeldzamen kalfsvoet kan dit verschil tot 7° C. stijgen; bij buitenlandsche soorten werd niet zelden een temperatuur waargenomen die 10°—20° hooger was dan die der omgeving. Vooral tijdens het opengaan der meeldraden en het rijp worden der stempels klimt dit verschil in temperatuur tot de genoemde aanzienlijke waarden.

Een ander voorbeeld van het ontstaan van veel warmte tengevolge der stofwisseling, leveren kiemende zaden. Laat men zaden zich gedurende eenigen tijd met water vol zuigen, en plaatst men ze dan in een glas bij elkander, doch zóó, dat de lucht ook tot de onderste doordringen kan, zoo beginnen zij, onder gunstige omstandigheden, weldra te ontkiemen. Steekt men nu den bol van een thermometer tusschen deze zaden, zoo ziet men het kwik in de buis stijgen. Een verschil van temperatuur met die der