Pagina:Eenzame Liedjes (1906).djvu/15

Deze pagina is proefgelezen
 

VI.

 

HET EDELE LEVEN.

 

 

 
Mijn leven is een lichte boot,
Die over diepe waters vaart —
De kiel is klein, de blik is groot,
Die om den einder waart.

Door 't blijde en het bleeke licht
Van 's levens vreugd en 's levens leed,
Richt ik haar steven naar den plicht,
Dien de bewuste weet.

Schoon is de vreemde spiegel, die
Mij draagt en wiegt, waarin ik beî:
Den hemel en den bodem zie —
Ik zie in beide mij.

En door dien wijden spiegel ijlt
De schoonheid immer met mij mee,
Haar kring van blanke beelden zeilt
Nevens mij door de zee.