Pagina:Eenzame Liedjes (1906).djvu/38

Deze pagina is proefgelezen
 

XXIII.

 

DE STEM.

 

 

Over het late wegje viel
Die warme avondgloed,
Die glans die ook een arme ziel
Iets schoons gevoelen doet.

De laatste kleine leeuwrik droeg
Zijn liedje van de min,
Boven een stilgelaten ploeg
Den stillen hemel in.

Toen zweeg de wereld om ons heen,
Geen vogel zong er meer,
Wij voelde' ons met elkaar alleen —
En sprake' — en zwegen weer.

Doch de avond bleef in 't bloeiend hout,
En wachtte om onzentwil,
En onze handen werden goud —
En onze ziel zoo stil.

Toen hoorden wij die stem die steeg,
En zich al hooger hief — — —
En van de diepe sterren zeeg
Een stem: — heb lief — heb lief —!