Pagina:FrankVanDerGoesWerk1939.djvu/303

Deze pagina is gevalideerd

III

 

Er zijn bewijzen ten overvloede voor de bewering dat de gebroeders De la Court, Pieter en Johan, hunne lezers trachten te misleiden als zij zeggen dat de mindere man door de accijnzen weinig wordt gedrukt. De mindere man zelf, althans, dacht er anders over dan deze woordvoerders van handelskapitalisme en hooge bourgeoisie. Wij hebben gezien dat niet alleen de proletarische arbeiders van handwerk en manufaktuur, maar ook de menigte kleinere en grootere ambachtsbazen, winkeliers, en, buiten de steden, de massa der boeren, tegenover de kooplieden en bureaukratie de elementen opleverden eener onderworpene en verdrukte klasse. In handen van de regeerders was het belastingstelsel een werkzaam instrument tot hare uitbuiting. En de teekenen, zeiden we, zijn menigvuldig dat de lagere bevolking van stad en land over de geheele Unie, verre van op dit punt onkundig of onverschillig te blijven, de imposten op de verbruiksartikelen misschien zwaarder gevoelde en feller haatte dan eenig ander van hare vele plagen. De gekleurde draad eener reeks van oproeren loopt door de geschiedenis van het gemeenebest; uitbarstingen van een volkswoede, gewekt door de invoering van nieuwe accijnzen of door de verhooging van bestaande, of wel gericht tegen personen bijzonder hatelijk gemaakt bij de inning.

Het "Pachtersoproer" van 1748, de meest bekende en uitgebreidste van deze bewegingen, was niet de eenige of de eerste daad van verzet tegen de gevreesde afpersing.

Geen enkel artikel van verbruik—in de provincie waar de macht van het handelskapitaal het meest onbeperkt en de overblijfselen van politieke macht der lagere klassen het volledigst verdwenen waren, in Holland[1], hooger en over een nog grooter getal voorwerpen dan elders—geen enkel artikel was onbelast gelaten. De eet- en drinkwaren, de brandstoffen, het huisraad, de kleedingstukken, de bouwmaterialen, de tabak, het gedistilleerd, het zout, de zeep en de kaarsen, de nieuws-


  1. Treub, Rijks-, Provinciale en Gemeentebelastingen, 1885, bl. 18.
299