Pagina:FrankVanDerGoesWerk1939.djvu/327

Deze pagina is gevalideerd

boren voorstelling te verstoren. Er moesten twintig jaar van onrust en ellende voorbijgaan eer de Nederlanders, na 1795, nogmaals een Oranjevorst als een "vader des volks" inhaalden.

Gelijk de beweging voor Willem IV gepaard ging met een demonstratie tegen de verfoeide belastinggaarders, ging men in het volgende jaar hun te lijf onder het aanroepen van den Oranjenaam. Van zekeren Egeling, wijnkooper te Utrecht, bekend smokkelaar, en als alle smokkelaars dubbel gebeten op de houders der pachten, verhaalt een gedenkschriftenschrijver[1] dat hij in April 1747 door de straten liep met de populaire kleur op zijn borst, luidkeels de leuze uitsprekende die blijkbaar zoowel alle geplaagde verbruikers als neringdoenden vervulde: Vivat Oranje, vrije negotie!

De Prins—ander voorbeeld—eenmaal in Holland benoemd, zou, meenden zijn aanhangers, nu ook in Friesland bekleed moeten worden met de grootere macht hem in Holland opgedragen. In Juni ('48) traden aldaar de volksleiders bovendien met den algemeenen eisch op: "herstel der burgerij in haar oude politieke wetten en voorrechten", naast dezen bijzonderen eisch: "afschaffen der imposten en vervanging door een familiegeld."[2]

Evenzoo te Amsterdam.—In een pamflet van den dag:—"men hoort (lezen we) het gemeen openlijk zeggen: wat baat het ons, Z.H., dien beminden Vader des Vaderlands, tot onzen Erfstadhouder verheven te zien, indien men Z.H. blijft wederstreven? Wij zullen nooit van onze bloedzuigers, de Pachters, verlost worden, indien wij zelf geen handen aan het werk slaan.... Daarop barstte het misnoegen uit, gelijk door het plunderen van de huizen der pachters gebleken is."[3]

Men ziet het: ook als het zelf zijn handen gebruikt, gevoelt het "gemeen" zich een werktuig van den prinselijken verlosser. Den Prins als stadhouder gehuldigd en


  1. Van Hardenbroek, Gedenkschriften 1747–1787, I bl. 1/2.
  2. Korte Schets der Tegenwoordige Beroerten, 1748, bl. 32.
  3. Historische Beschrijving enz. van het Misnoegen der Burgeren van Amsterdam, 1748; bl. 9.
323