Pagina:Frederik van Eeden-Johannes Viator(1895).djvu/127

Deze pagina is gevalideerd
123
HET BOEK VAN DE LIEFDE.
 

van mijne ziel hebben ze geschonden of verwoest.

Wij zijn gegeven in den macht der schendende gedachten als een stad in de macht van plunderaars. Wie niets wil prijs geven zal alles verliezen.

En maar één huis wilde ik redden en ik zag het verderf en de vernieling links en rechts alom.


Eenen avond waren wij beiden voor een haardvuur, in het kamerduister.

Buiten was de herfstnacht — binnen was het duister — en haar donkere figuur zuiverdonker in het vreemde kamergrijs, met de vele glinsteringen. En ik lag op een roodbruine vacht, zoodat het om mij heen was, in den vuurglans, als rossige vlammen — en mijn oogen vast aan het vlamgeflikker voor mij. Toen kwam haar witte hand, blank-rood in het vlamlicht, voor mijn oogen.

— »Het is nu toch immers alles goed, mijn jongen?« —

— »Het is alles goed, Hetty. Hoe kan het anders als jij van mij houdt.« —


En buiten wist ik den somberen nacht, en den killen dood en de verwoesting der bloeiende landen.