Pagina:Frederik van Eeden-Johannes Viator(1895).djvu/178

Deze pagina is gevalideerd
174
JOHANNES VIATOR.
 

van mijnen gang. Want van alle wereldsche leven reiken hare handen wel het naast bij mijnen eenzamen weg.

Maar mijn weifelen is schijn. Verwonderd zie ik immers den rustigen vasten groei, als een groote boom, zich vormend met veel bladen gelijkelijk, allen klein en stil. Daar kan geen goed gevonden worden, buiten dezen weg.

Hij is gewezen, en met klemmender noodwendigheid, van tred tot tred. Ach, mocht mij al verlaten wat nog zoo zwaar is en belemmerend. Maar nog bij lange niet kan ik zien het licht van den tijdeloozen nacht. Niet klaar zien mijn oogen, niet vrij zijn mijn handen, mijn gaan is smartelijk.

Omziende, zie ik haar gebogen hoofd en haar ontroering aan.

Maar zóó is het al de waarheid en goed. En zij weet dit wel, zoowel als ik.


Roode daken, roode daken, — er is kwaad in hun vreemde bekoring.

In de warreling van bouwsels, in het geheime, grillige, aardige — in het kleurig en duister, het vreemd geknutseld, stilhoog staande menschwerk — zonderlinge uitgroei der levensveelheid.

En dan de luchtkoepel, enorm en licht — en de geweldige windbaan.