Pagina:Frederik van Eeden-Johannes Viator(1895).djvu/192

Deze pagina is gevalideerd

vvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvv

 
 

XXI.

 

Ik ben toen in een groote stad gekomen. Een zeer groote, vreemde stad.

Niet om mijn wilde zelf te ontvluchten, niet uit lafheid, om niet te zien, niet uit bitterheid, om te vergeten. Maar stomp gehoorzaam als een dier, dat vertrouwt op de stem van zijn meester.

Ik wist niet wat ik dacht, noch hoe het toch wel stond met mijzelven.

Alleen voelde ik, na dien schoonen morgen, iets hards in mij vervluchtigd. Het was er niet meer. Ik was niet bitter meer en glimlachte bij ’t herdenken van mijn moordgedachten.

Ik was vol goedheid, vol zachtmoedigheid. Mijn ziel boog onder deemoed en vergevingslust, — als een tulp vol klaar regennat.

Ik zag de menschen en de dingen aan, en mijzelven daarin, alsof ik nu wist waartoe dit alles diende.

Zoo week daarbij, zoo zonder eenige neiging tot ver-