Pagina:Heimans&Thijsse1897HeiEnDennen1stEdition.djvu/116

Er is een probleem opgetreden bij het proeflezen van deze pagina

102

te zeggen, hoe de vork aan de steel zit. Dit deukje is er waarschijnlijk ook een overblijfsel van.

Nu zijn we, waar ik u brengen wilde; kijk eens over de rand van de heuvel heen. Wat een vreemd landschap, nietwaar? Een net van kronkelende ondiepe slooten en daar tusschen in: een land, dat uitsluitend bestaat uit heu- .veltjes van allerlei vorm en hoogte, koepelvormig, vierkant, spits, hier een paar decimeter, vlak er naast bijna een meter hoog; geen plekje is er vlak, belt staat naast belt, elk met zijn voet in het water.


Op deze plek in de tekst zou een afbeelding moeten verschijnen.

Bloem van 't Kartelblad (Pedicularis palustris).


Loopen kunnen we er niet, we moeten springen van de eene top op de andere. Vrees maar niet, dat ze in zullen zakken. Ze zijn zoo stevig, als ge maar verlangen kunt, al is de onderkant zwart en veenachtig.

Op deze ga ik zitten; kies zelf maar een andere in de buurt, op elke heuvel is slechts plaats voor één mensch, en zijt ge uitgerust, sla dan het oog eens in ’t rond.

Misschien hebt ge wel eens een afbeelding van een bever- kolonie gezien; daar heeft het hier werkelijk iets van; maar dan van duizenden van die beverhutten bij elkaar.

Hebt ge goed rond gezien, kijk dan ook eens vóór en onder u. Tusschen de belten groeien welig zonnedauw en