Pagina:Heimans&Thijsse1897HeiEnDennen1stEdition.djvu/17

Deze pagina is niet proefgelezen

11

een hazelworm, zoo groot als ik er nooit een gezien had. Het beestje was zoo mak als een jonge poes, het vleide en draaide zich rond in haar hand, het keek haar aan en likte met zijn tongetje haar vingers. Zij liet het om haar arm kronkelen, stak zijn staart door een kronkel, zooals ze een knoop in een touw zou maken: het beestje liet zich rustig om haar magere pols vlechten.

"Hoe vindt je zoo'n levende armband?” vroeg ze, en begon daarop de hazelworm te streelen en zoete woordjes toe te voegen. "Heb je vandaag nog niets gehad, dacht je dat de vrouw je vergeten zou?”

Ik was een en al verbazing. Zooals ze daar stond te spreken tegen die levende slang om haar arm, leek ze me zoo zonderling en vreemd toe, dat ik weer aan een heks dacht; een lichte huivering kon ik maar niet bedwingen.

Of zij dat bemerkte, weet ik niet, maar dadelijk daarop zei ze: "Zie zoo, nu heb ik je van alles laten zien. Kom nog maar eens terug; maar je moest me dat boekje een paar dagen leenen, als je wilt; we kunnen ook wel eens samen kruiden gaan zoeken; als ik maar vooruit weet, wanneer je komt, dan wacht ik op je.”

Ik gaf haar mijn boek en zei haar welke dag van de volgende week ik over de hei naar Raalte moest.

 

Meer dan eens was Kruiden-Marie mijn leidsvrouw. Ze wees me de plekjes aan, waar zeldzame planten groeiden, en vertelde er veel meer van, dan ik toen in boeken had kunnen vinden. Vooral het gebruik, dat er vroeger en nu nog in de apotheek van gemaakt werd, en de wonderkracht, die het landvolk aan sommige dieren en planten toeschreef, leerde ik van haar. Al spoedig vertrouwde zij mij genoeg, om te laten doorschemeren, dat zij aan al die geneeskracht maar weinig, en aan al die wonderen in het geheel geen geloof