Pagina:Heimans&Thijsse1897HeiEnDennen1stEdition.djvu/61

Deze pagina is niet proefgelezen

51

wat een heerlijke, in elkaar vloeiende tinten en vooral ruimte en afwisseling !

Waar anders, of het moest aan het zeestrand zijn, kunt ge zoo mooi en zoover de wolkenschaduw voort zien glijden? Waar zoo het smetteloos witte zand zien blinken op top en helling? Als er maar een weinigje vocht in de grond is, blijft de heide niet dor; even goed in het voorjaar als in de nazomer groeit en bloeit het er, dat ’t een lust is. Daar boven die effen plas, steken, als honderden eilandjes, grasheuvels uit, zoo frisch, als ge maar verlangen kunt; ze breken de wol- ken- en blauwe-lucht-spiegeling met hun eigen beeld; dat is zoo innig mooi; veel mooier dan een dicht grasveld zonder ander water dan in de rechtlijnige slooten. Tusschen het oude, bruingele riet gluren al de breede, groene spruiten door, en om de berken en elzenstruiken glijdt het groen- achtig waas van de bottende knoppen.

Al is het pas April, de zon hoeft maar een paar blauwe openingen in de wolken te vinden, of de heilucht begint te trillen, te golven in de verte, laag bij de grond, als was de heide een spiegelend watervlak, dat rimpelt in de lentewind. Een vreemde, licht paars-rose tint, wellicht ontstaan door de kleurenmenging in de bewogen lucht, kleurt daarbij soms het verschiet, zoover het oog reikt; de schilders kunnen dat met al hun kunst niet zoo mooi weergeven, als het werkelijk is, maar altijd nog beter dan de schrijvers. Toch komen vaak op de heide eens gehoorde dichtklanken weer op de lippen.

Zie, hoor! daar gaat een leeuwrik!

 

"Daar gaat een leeuwrik ! — kijk wat lustig ding !
Het kopje omhoog, de vlerken wijd-bezijden,
Hoe kent zijn lust geen maat, noch zijn gezing —
Hij wil zich àl uitbundiger vermeien
In licht, in wijdheid, in ontboezeming.”
Fr. v. Eeden "Lioba”.