Pagina:HeimansEli1906MetKijkerEnBus.djvu/153

Deze pagina is proefgelezen
 

XXIII.

Symbiose.


 

Wie wel eens gehoord heeft, dat in Indië somtijds wilde pauwen de aanwezigheid van jagers aan den tijger verraden, zoodat de groote roovers tijdig de vlucht kunnen nemen, of dat een bepaalde vischsoort, het loodsvischje, mannetje en wijfje, vóór een haai uitzwemmen en hem waarschijnlijk rapporteeren als er ergens buit te vinden is,—die weet ook ongeveer wat in de planten- of dierenbiologie met symbiose wordt bedoeld.

Zoo ongeveer; want het begrip is rekbaar en niet krimpvrij; lang niet alle natuurkundige schrijvers verstaan er evenveel of even weinig onder. In elk geval moet er sprake wezen van een samenleven van twee of meer planten of van eenige dieren, of van een plant met een dier onderling. Zoo ruim van inhoud genomen, dat elke samenleving (b.v. ook het leven in troepen van antilopen) er onder valt, is het begrip lang niet in alle boeken. Het bijeenleven van dieren van de zelfde soort, ook al vormen ze staten met verschillende individuen, als bijen en wespen of mieren, wordt er meestal van gescheiden; ook al die gevallen waar verschillende plant- of diersoorten in elkaars gezelschap leven, zonder dat met eenigen grond de reden of oorzaak valt te gissen, zoodat het geval voorloopig als een toeval moet worden beschouwd.