Pagina:HeimansEli1906MetKijkerEnBus.djvu/68

Deze pagina is gevalideerd

62

tot de familie der krabspinnen, zoo genoemd om hun plat lichaam, hun lange voorpooten en om de manier, waarop ze zich ook naar links en rechts en achteruit voortbewegen op de wijze van strand-krabben.

Eén geslacht nu van die krabspinnen vooral is het, dat het verschijnsel der herfstdraden te voorschijn roept. Alom is 't bekend; daarvan getuigen de vele volksnamen in alle landen waaronder zeer zonderlinge zooals Alteweibersommer en Fliegender Sommer, ook Mariënfäden in 't Duitsch; Fils de Vierge in 't Fransch; Gossamer (oorspronkelijk: goose-summer of ganzezomer) in 't Engelsch.

Die krabspinnen en daarbij Thomisus viaticus heeft ieder, die buiten woont ook wel eens in volwassen staat opgemerkt. Zij zijn bekend om den grooten moed, waarmee ze hun eiernest verdedigen. Als ge hun het ronde witte spinsel-balletje, zoo groot als een erwt, wilt ontnemen, wanneer ze het met de kaken hebben vastgegrepen, zult ge hun eerder den kop van het lijf rukken, dan ze dwingen om los te laten. Lukt het u bij verrassing toch, hun het goed bewaakte eiernest te ontfutselen, dan vallen ze soms als verlamd in elkaar en schijnen te sterven van smart. Maar niet zoodra schuift ge haar 't balletje weer toe, of er komt weer leven in 't schepsel, en zij gaat er haastig met haar eieren van door; nog wat loom in de pooten en wankelend; maar toch blijkbaar gelukkig, haar toekomstig kroost weer tegen de borst te kunnen klemmen.

Zoo'n pakje bevat meestal meer dan honderd eieren; en deze diertjes nu blijven, zoo lang ze klein zijn, dicht bijeen; de ontwikkeling hangt af van het weer; is dat gunstig dan groeien ze vrij gelijkelijk op en beginnen zich te verspreiden over een klein netje, dat ze samen spinnen. Bij nat of koel weer zitten ze als een bolletje opeen gedrongen; net een zaadkorrel.