Pagina:Het Koninkrijk Deel 01 Voorspel (1969).djvu/32

Deze pagina is niet proefgelezen

SOCIAAL MISDEELDEN

dat mijn twaalf medestudenten van deze tak van technische wetenschap er spoedig het bijltje bij neerlegden en ik tenslotte enige jaren geheel alleen college liep.'[1]

Naast het majeur is trouwens ook plaats voor het mineur.

Willem I was Koning geworden van twee -, Wilhelmina werd Koningin van vijf miljoen Nederlanders. Wij hebben van het gezamenlijk inkomen dier Nederlanders geen denkbeeld: de inkomstenbelasting die een eerste statistische grondslag zou bieden voor berekeningen terzake, werd eerst in 1914 ingevoerd. Brugmans schat dat in dat jaar de Nederlandse beleggingen in de koloniën één miljard, die in het buitenland ten minste drie miljard gulden beliepen[2] - het waren zeker voor een aanzienlijk deel kapitalen die eerst in de laatste generaties gevormd waren: rijkdom van weinigen, bepaald door de armoede van velen.

Met dat al kon men niet langer spreken van een 'zuiver' en ongebreideld kapitalisme in die zin dat alle productiemiddelen in handen waren van een kleine groep particuliere eigenaren die er geheel naar eigen believen over konden beschikken. De liberale leider Kappeyne van de Coppello had zich al in 1874 gedistancieerd van de oude leer dat (wij citeren zijn woorden) 'de staat niets anders is dan een grote politiemacht, die slechts te zorgen had voor de veiligheid van de personen en de goederen'.[3] Twintig jaar later was het proces waarbij de overheid openbare nutsbedrijven overnam of oprichtte, in volle gang. In 1901 bepaalde de Mijnwet dat wat aan kolengebieden nog niet aan particuliere concessionarissen uitgegeven was, van staatswege zou worden ontgonnen en geëxploiteerd. De oude Thorbecke zou er van gegruwd hebben. Niet minder zou het hem verbaasd hebben dat dezelfde staat die ten algemenen bate eigenaar werd van belangrijke productiemiddelen, in sommige opzichten paal en perk ging stellen aan de mate waarin arbeiders en arbeidsters afgebeuld werden: dat was op zichzelf al wenselijk om hun scholing te bevorderen. Zonder geschoolde arbeiders kon ons land zich niet handhaven op de internationale markt.

Het begon in 1874 met de initiatiefwet van mr. S. van Houten die voorschreef dat kinderen beneden de twaalf jaar geen loonarbeid mochten verrichten: een wel heel bescheiden eerste stap. Hoe bescheiden, bleek toen de Kamerenquête over de arbeidstoestanden dertien jaar later de dialoog deed ontstaan met de Maastrichtse glas- en aardewerkfabrikant Regout:

  1. A. M. Schippers: 'Scheepsbouw', in: Gedenkboek 1895-1923, p. 902.
  2. Brugmans: Paardenkracht en mensenmacht, p. 401.
  3. Aangehaald door Brugmans, a.v., p. 349.