Pagina:Het leven der bloem (1900).djvu/93

Deze pagina is gevalideerd
81
VOOR DE BESTUIVING DOOR INSEKTEN.


steeksel van het onderlipje. Trekt men namelijk in een levende bloem het onderlipje voorzichtig naar beneden, zoo gaat deze plooi mede. Laat men nu het lipje los, zoo ziet men dat het als door een elastische kracht gedreven, weer naar zijn vroegere plaats terugkeert en daarbij de plooi tegen het bovenlipje aandrukt. Een volkomener afsluiting der bloem tegen regen en tegen schadelijke of nuttelooze insekten kan men zich ter nauwernood denken. Doch hoe kunnen dan die insekten, welke de bloem bestuiven moeten, er in binnendringen? Het antwoord op deze vraag is zeer eenvoudig. Alleen hommels kunnen dit. Zij vliegen op het onderlipje aan, en zetten zich daarop neer. Door de zwaarte van hun lichaam wordt nu het lipje van zelf naar beneden gedrukt en de bloem dus geopend. Zij kruipen nu op de plooi, tusschen de twee verheven lijsten op deze in, en worden daarbij door een gekleurde vlek geleid, die hun den weg naar den honig aanwijst. De opening tusschen de plooi en het bovenlipje is nu juist zóó groot geworden, dat de hommel er door heen kan, en met uitgestrekten bek den honig in het kleine zakje onder aan de bloemkroon (zie de figuur) bereiken kan. De meeldraden en de stijl liggen nu zoo tegen het bovenlipje aan, dat de geheele rug van den hommel er langs moet strijken, en dat de stempel dus stuifmeel, dat het dier van een vorig bezoek medebrengt, kan opnemen, terwijl de meeldraden den gast met nieuw stuifmeel beladen. Zoodra de hommel de bloem verlaat, klapt het onderlipje weer tegen den bovenlip aan, en de bloem is gesloten. Kleinere soorten van hommels en bijen zijn niet zwaar genoeg om het lipje door hun gewicht te openen, zij kunnen dus den honig niet bereiken. Grootere soorten kunnen niet door de opening, en zijn dus eveneens van het genot van den honig uitgesloten. Slechts die soorten, die juist zoo gevormd en zoo groot zijn, dat zij bij hun bezoek bestuiving teweeg brengen, worden tot den honig toegelaten.

Tot nu toe hebben wij onze opmerkzaamheid bijna uitsluitend op den vorm der bloemkroon gericht; thans geven wij, voor wij van dit onderwerp afstappen, ook nog de bewegingen aan, die dit orgaan maakt. Iedereen weet dat, in jeugdigen toe-