Pagina:In de sneeuw.djvu/143

Deze pagina is gevalideerd

141

en werden als witte wolkjes meegevoerd, en ritselend tegen de jongelieden, die zich uit het bosch spoedden, aangedreven.

„Welk een vroolijke oude heer — die Olsen!"

„Lieve! — vindt ge hem niet terugstootend?"

„Terugstootend! — verre van dàt, — hoe komt ge er bij?"

„Neen, — ik heb dit trouwens ook wel gemerkt, — tot mijne groote verbazing, — gij, die anders zooveel aan goede manieren hecht....!"

„Nu — ge wilt zeggen, dat hij een weinig ruw is; maar die ruwheid kleedt hem, en in elk geval is hij nog een beschaafd man, bij den burgemeester vergeleken."

„Maar Gabriëlle! het is werkelijk eene zeer slechte gewoonte van je, de menschen te beoordeelen na zulk eene korte kennismaking. De burgemeester is een zéer ontwikkeld man, een degelijk jurist, en — "

„De duivel hale mij," riep Gabriëlle lachend.

„Foei, Gabriëlle, hoe kunt ge zulke woorden in uwen mond nemen?"

„Ach, wees niet bang; het is niet besmettelijk. Ik houd van mijn ouden Lensmand."

„Ook als ik je zeg, dat hij een groote ergernis