Pagina:KapitaalEnArbeidinNederlandDeel1HRH2ndEd.djvu/105

Deze pagina is niet proefgelezen

101

burger 32, van den boer uit den omtrek 50 jaar.[1]

De vaste arbeider op het platteland der prov. Utrecht verdiende 's zomers ƒ 3.50; 's winters ƒ 2.90; men ziet, sedert 1850 zoo goed als geen vooruitgang. Maar in de laatste 25 jaar waren alle levensmiddelen, behalve brood, ongeveer 100 % in prijs gestegen, de huishuur met 50 %.

De konklusie die Mr. de Jong van Beek en Donk in '69 trekt in zijn brochure is deze: "er zijn sterke bewijzen voor de stelling, dat de Nederlandsche werkman ja te veel heeft om te sterven, maar te weinig om te leven." Zij lijkt niet overdreven te zijn.

 

III.

 

Materieële ontbeering en geestelijke verwaarloozing deed ieder nieuw geslacht opgroeien, zwakker van lichaam en doffer van geest dan het voorgaande geweest was. De slecht-gevoedde ouders brachten rachitische ziekelijke kinderen ter wereld. Deze kinderen leefden niet alleen in dezelfde condities van onvoldoend voedsel, enz, maar ook ontbrak iedere wettelijke bepaling om de opgroeiende generatie van arbeiders tegen de ergste schade van overzwaren en langdurigen arbeid te behoeden.

De jonge Engelsche industrie, later ook de Fransche en Duitsche, trad openlijk op met winst-makerij tot doel en exploitatie van onrijpe arbeidskrachten als een naar zij voorgaf, noodzakelijk middel. Het geloof aan deze noodzakelijkheid had de wetgeving te overwinnen, en dit duurde lange jaren, want de fabrikanten


  1. Al deze gegevens zijn geput uit de artikelen van Dr. S. Coronel in de Gids van 1863.