Pagina:KapitaalEnArbeidinNederlandDeel1HRH2ndEd.djvu/133

Deze pagina is niet proefgelezen

129

de mannen van het Réveil voor de afgescheidenen hun broeders in den geloove - in de bres en bestreden de rechtmatigheid der vervolgingen, maar de Afscheiding zelve verklaarden zij een fout en een zonde te zijn. Ja nog meer: in de jaren dat de "liberalistische" geest zoo sterk den boventoon voerde in de Synode, dat al wie rechtzinnig dacht, door hoon en spot der bovendrijvende partij tot afscheiding werd geprikkeld en moreel bijna gedwongen (want dit was het wat de Synode verlangde) bewaarde de Clercq's tijdschrift, de "Nederlandsche Stemmen" vele fatsoenlijke broeders voor deze zonde[1]: in de hoogere kringen bleef de afscheiding inpopulair.

Om te winnen aan breedte, moest het Réveil in diepte verliezen. Om zijn sektarisch-dilettantisch karakter af te leggen, moest het zijn deftig-gedempte omgeving verlaten, uit de bekoorlijke stilte en het zachtgetinte licht van de ruime zalen der aanzienlijke Amsterdamsche en Haagsche woningen, zich wagen in den nuchteren dag en het rumoer van het openbare leven. Het moest over zijn gewaad van mystiek pietisme en individualistisch gemoedsleven de rusting der dogmatiek aanleggen en het zwaard der polemiek voeren, ten einde van half-exotisch nationaal te worden, van een sekte een partij, van een stille in den lande een macht in het openbare leven. Het moest, door zijn aristokratische kom-af wat anemisch, in één woord bloed en spieren maken, en het deed dit door in zich op te zuigen het leven der kleine burgerij, haar aspiraties te formuleeren en tevens te richten; haar intellekt, haar spreekmond, haar leider te worden. De klasse-beweging der kleine burgerij


  1. Vos, bl. 175.
9