Pagina:KapitaalEnArbeidinNederlandDeel1HRH2ndEd.djvu/191

Deze pagina is niet proefgelezen

187

hoeveelheid te zijner beschikking, Het talrijke lompen-proletariaat, eerst langzamerhand opgeslorpt, maakte het voor het kapitaal mogelijk de loonen gedrukt te houden op minimum-peil en den arbeidsdag te ver lengen. Wij zagen hoe de totaal ongeorganiseerde arbeiders getroffen werden door de groote prijsverhooging van de meeste artikelen van dagelijksch gebruik in de vijftiger jaren. De verhooging der loonen was daaraan niet geevenredigd en deze voor de arbeiders ongunstige beweging duurde ook in de zestiger jaren voort.[1] De levensstandaard van den arbeider was dus niet stijgend, maar dalend en nog in 1874 werd officieël erkend, dat de Nederlandsche arbeider van zijn loon met zijn gezin niet bestaan kon.[2] De prijs der arbeidskracht was onder haar waarde gezonken. Het tekort werd aangevuld door de verdienste van vrouw en kinderen en de pest van den kinderarbeid bleef in werkelijkheid tot de wet van '89 zoo goed


  1. "Is het een onomstootbare waarheid, dat het streven naar vooruitgang op Het gebied van wetenschap en kunst meer en meer voorwaarts gaat, niet minder is het waarheid, dat in de maatschappij een achteruitgang heerscht, die elken dag toeneemt, die den werkman in ons vaderland ten gronde dreigt en wel voornamelijk doordat zijn loon, niet geëvenrodigd is aan de al hooger on hooger stijgende prijzen van alles wat hij volstrekt tot zijn onderhoud noodig heeft". Circulaire van 1866 van de Typografsche Vereeniging "Boekdrukkunst de grondzuil der verlichting" aan de Arnhemsche boekdrukkerspatroons; aangehaald bij H. Spiekman, de typografen in Nederland; de Nieuwe Tijd; 3de jrg. bl. 259.
  2. "Onder dit stelsel (nl. van vrije mededinging) tracht elk zijn voortbrengingskosten te bezuinigen: onder die kosten behooren ook de arbeidsloonen. en ook deze tracht de mededinging tot het laagste peil te doen dalen. Hierbij wordt niet gevraagd of het den arbeider mogelijk is hiervoor zijn arbeidskracht te onderhouden. Nog minder, of hij in het onderhoud der zijnen voldoende kan voorzien en de kracht en ontwikkeling der arbeidende bevolking in het algemeen kan worden bewaard en vermeerderd."
    "Nu is het de schaduwzijde van onze tegenwoordige toestanden, datde arbeidende bevolking niet de kracht heeft gehad, de loonen op zoodanig peil te handhaven of te brengen". (Memorie van antwoord van Mr. Van Houten tot nadere toelichting van zijn wetsvoorstel in zake kinderarbeid, aangehaald bij Van Welderen Rengers, Parlementaire Geschiedenis, Deel II. bl. 121.