Pagina:KapitaalEnArbeidinNederlandDeel1HRH2ndEd.djvu/45

Deze pagina is proefgelezen

41

als aan een ander leven. Nooit is bevrijding na druk, staatkundige wedergeboorte na ondergang door een volk met oprechter blijdschap gevoeld en gevierd. De Nederlanders in 1813 hadden al de tranen- en woordenrijke verruktheid van menschen, die, door veel doorgestane ellende nog zwak van zenuwen, overtuigd zijn dat een gelukkiger tijd voor hen begint. Zij hadden de intentie en de zekerheid groote dingen te gaan doen, zooals hun vaderen vóór hen—wat zij plachten uit te drukken door de spraakwending "dat de leeuw weer brullen ging"—en voelden in zich de opgewonden stemming die, meenden zij, aan het doen van groote dingen voorafgaat. En zij waren trotsch op wat zij zoo even al volbracht hadden: den Franschen tyran wegjagen en Oranje terugroepen; al was het dan voorzichtigjes en op het laatste nippertje, toen de tyran al ging uit eigen beweging, geschied. Want Hogensdorp en v.d. Duyn van Maasdam en de andere groote "patriotten"—in de nieuwe beteekenis van het woord waren doodsbang voor een te vroege volksbeweging en voor gevaar en bloedstorting en dergelijke narigheid. En zóó zouden ze doorgaan: niet heethoofdig maar gematigd en wijs. En de oude welvaart zou terugkeeren, de oude grootheid en glorie met haar.

Van dat alles is niets gekomen. De restauratie van '13 heeft aan de armoe, de kwijning, het materieel verval geen einde gemaakt. Een half jaar later, in Maart 1814, was voor de geestdrift van het volk "merkbaarste onverschilligheid" in de plaats gekomen.[1]


  1. W. de Clercq, Dagboek, Deel 1 (zie: digitale versie, deel IV, p. 55 - Wikisource-ed.). Onder de oorzaken van die verandering noemt hij: 1° de invordering der lasten op denzelfden voet en zelfs meerendeel zwaarder dan onder den dwingeland; 2° de oproeping