Pagina:Kautsky 1900 nl Economische Theorie Marx.djvu/73

Deze pagina is gevalideerd

59

besteedt, komt den kapitalist voor als diefstal aan zijn eigen kapitaal.[1]

Maar juist omdat de arbeidskracht en de arbeider onafscheidelijk met elkaar verbonden zijn, eischt het belang van den laatste de grootst mogelijke verkorting van den arbeidstijd. Gedurende het productieproces is hij slechts deel van het kapitaal; hij wordt onder de kapitalistische productiewijze eerst mensch, zoodra hij ophoudt met arbeiden. Maar naast dit moreel motief voor verkorting van den arbeidstijd, bestaat er ook een materieel. Het kapitaal streeft er naar om meer te nemen dan er naar de regelen van den warenruil aan toekomt.

Als de kapitalist de dagelijksche arbeidskracht tot haar waarde koopt, dan komt hem slechts haar gebruikswaarde toe voor een dag, d.w.z. hij mag de arbeidskracht dagelijks slechts zoo lang benuttigen, dat haar weder-vorming niet er door geschaad wordt. Als iemand de opbrengst van een appelboom koopt en, om uit den boom erg veel voordeel te behalen, niet slechts de appels afschudt, maar ook takken afzaagt, om het hout te gebruiken, dan schendt hij de overeenkomst die hij heeft aangegaan; de boom kan het volgend jaar niet meer zooveel vruchten dragen als vroeger. Hetzelfde is echter het geval als de kapitalist den arbeider overmatig lang laat arbeiden: dit geschiedt op kosten van de geschiktheid tot arbeiden en van den levensduur des arbeiders. Als tengevolge van overmatigen arbeid de tijd dat de arbeider tot arbeid geschikt is van 40 tot 20 jaren wordt teruggebracht, dan beteekent dat niet anders dan dat het kapitaal gemiddeld in één dag de gebruikswaarde van twee arbeidsdagen verbruikt heeft; het heeft den arbeider de arbeidskracht van één dag betaald en hem de arbeidskracht van twee dagen afgenomen. De kapitalist predikt den arbeiders spaarzaamheid en wijze voorzorg en dwingt hen tegelijkertijd het eenige te verspillen wat zij bezitten, nl. hun arbeidskracht.[2]


  1. De engelsche arbeiders—en andere waarschijnlijk ook—weten zeer goed de nauwkeurigheid te bespotten, waarmee de kapitalist waakt dat hem de arbeider van den arbeidsdag, dien hij gekocht heeft, niets aftrekt. Zoo vertellen zij van den bezitter eener steengroeve, waar een arbeider door een te vroeg ontploffende mijn in de lucht geslingerd werd, doch tegen verwachting zonder letsel weer op den grond neer kwam. Bij de uitbetaling van het loon trok hem de ondernemer den tijd af dat hij in de lucht geweest was, dus niet gewerkt had. Iets dergelijks moet zich bij den aanleg van de Croton-waterleiding in den staat New-York inderdaad voorgedaan hebben. Een berg moest doorboord worden. De springmijnen in den tunnel brachten na hun ontploffing schadelijke gassen voort, die de arbeiders vaak verdoofden en voor eenigen tijd (gedeelten van een uur) tot arbeiden onbekwaam maakten. Deze tijd werd hun van het loon afgetrokken. In het kanton Zürich trok een fabrikant van verliefd gestel zijn arbeidsters het loon af voor den tijd dien zij in zijn kantoor met hem hadden doorgebracht.
  2. Marx citeert een plaats uit een artikel van Dr. Richardson in de "Social Science Review," 1863, waar het heet: "Te Marylebone (een der grootste stadswijken van Londen) sterven grofsmeden in de verhouding van 31 per 1000 jaarlijks of 11 boven het gemiddeld sterftecijfer van volwassen mannen in Engeland. De werkzaamheid, een bijkans instinctieve kunst der menschheid, op zichzelf onberispelijk, wordt door louter overdrijving van den arbeid de verwoester van den man. Hij kan dagelijks zooveel hamerslagen doen, zooveel schreden afleggen, zooveel ademhalingen doen, zooveel werk verrichten en gemiddeld bijv. 50 jaar leven. Men dwingt hem zooveel meer slagen te doen, zooveel meer schreden af te leggen, zooveel vaker per dag te ademen, en alles bijeen zijn levenstaak dagelijks met een kwart te vermeerderen. Hij probeert het en het resultaat is, dat hij voor een beperkte periode een kwart meer werk verricht en op zijn 37e jaar inplaats van op zijn 50e sterft".