Pagina:Keulemans Onze vogels 2 (1873).djvu/109

Deze pagina is gevalideerd
 

DE BEFLIJSTER.

TURDUS TORQUATUS.

De Beflijster herinnert, door hare grootte en kleuren, aan de Merel; door hare witte borst echter onderscheidt zij zich van alle eigenlijke Lijsters: de overige Lijstersoorten zijn zeer eentoonig, zij daarentegen bont gekleurd. Zij behoort in het Noorden te huis, inzonderheid daar, waar het grondgebied der Merel ophoudt. Niettemin ontmoeten beide vogelsoorten elkander wel in het meer gematigde gedeelte van Europa, zoodat we b.v. in Schotland de Mevel nog, en de Beflijster reeds broeijende kunnen aantreffen. Hier te lande broeit zij zeer zelden, en slechts in geringen getale komt deze vogel ons op den trek bezoeken.

De hier voorkomende voorwerpen vertoonen weinig uiterlijk verschil van sekse; dit is voornamelijk hieraan toe te schrijven, dat de meeste mannetjes voor het grootst gedeelte van hun leven een onvolkomen vederkleed dragen, naar dat van het wijfje gelijkende. Alleen bij zeer oude, of in het Noorden levende individuen worden de vederen (behalve de band over de borst) geheel zwart; doch zelfs nog onder dezulken bespeurt men gewoonlijk aan het achterhoofd en de keel eenige fletse of witte veêren. Overigens is het winterkleed der mannetjes steeds fletser van kleur. De wijfjes zijn graauwer; bijna al hare vederen zijn licht gerand, terwijl hare borst vaal zandkleurig in plaats van wit is. Bij het oude mannetje zijn oogrand en bek geel, bij het wijfje daarentegen graauwbruin. De jongen zijn zeer duidelijk gevlekt; al hunne veêren zijn van een graauwwitten rand voorzien, die der vleugels daarenboven in het midden licht gevlekt.

Het nest der Beflijster is, zoowel wat de bouwstoffen, als den vorm en de ligging betreft, nagenoeg geheel gelijk aan dat der Merel; evenzoo komt ook de kleur harer eijeren dermate met die der Mereleijeren overeen, dat ze niet te onderscheiden zijn. Alleen aan eenige kleine bijzonderheden, aan het nest van