Pagina:Keulemans Onze vogels 2 (1873).djvu/39

Deze pagina is gevalideerd
 

DE KOEKOEK.

CUCULUS CANORUS.


De Koekoek behoort tot de afdeeling Klimvogels (Scansores). Onder deze orde of afdeeling worden begrepen verschillende geslachten van vogels, bij welke de vier teenen zóó gerigt zijn, dat twee naar voren en twee naar achteren komen. Bij de Koekoeken en sommige andere geslachten echter kan een der teenen buitenwaarts zoowel naar voren als naar achteren gerigt worden. Men zou alligt onderstellen, dat alle de tot deze afdeeling behoorende vogels klimmen of klauteren; dit is echter niet het geval, en de reden, waarom men ze Klimvogels noemt, ligt dan ook alleen in de meening, dat die vogels, door twee teenen voorwaarts en twee achterwaarts te houden, zich beter aan de takken kunnen vastklemmen en zoodoende gemakkelijk klimmende houdingen kunnen aannemen. De verschillende geslachten, die men onder deze orde brengt, leven dus hoofdzakelijk op boomen; zij verschillen echter onderling zoo zeer in vorm en levenswijze, dat men, alleen met het doel om de beoefening der ornithologie minder moeijelijk te maken, al deze zoo verschillende vogels onder ééne afdeeling heeft gebragt.

Men begrijpt onder koekoekachtige vogels die vogelgeslachten, welke in vorm min of meer met den Gewonen Koekoek overeenstemmen. Men neme echter in aanmerking, dat deze groep geslachten insluit, welke alleen in uiterlijken vorm elkander nabijkomen, terwijl de naam „koekoekachtige vogels" slechts aanduidt, dat men, alleen om de wetenschap te vereenvoudigen, deze geslachten tot één geheel gebragt heeft. De eigenlijke Koekoeken zijn: Cuculus canorus, C. glandarius, C. tenuirostris, C. orientalis en C. australis. Deze soorten worden te regt Koekoeken genoemd, omdat zij een geluid voortbrengen, dat, bij de eene soort meer, bij de andere minder, naar de syllaben: „koek-koek" gelijkt; deze soorten komen dan ook in vorm en levenswijze elkander zeer nabij. De overige, menigvuldige geslachten,