Pagina:Keulemans Onze vogels 3 (1876).djvu/164

Deze pagina is gevalideerd

menigvuldig, sommige onzer provinciën bezoeken; in Noord- en Zuid-Holland, Zeeland en het noordelijk gedeelte van Groningen worden zij evenwel slechts zelden aangetroffen; niettemin broeijen zij jaarlijks in sommige streken van ons land, en zelfs nabij Rotterdam, langs eene druk bezochte wandelplaats, heeft men ze nestelende gevonden.

Het Blaauwborstje bouwt zijn nest in het hooge drooge gras, of brandnetels, onder heesters tusschen afgevallen bladeren of gebroken stengels, gewoonlijk aan de met laag hout begroeide oevers van meren, langs slooten of smalle rivieren. Als bouwstoffen bezigt het worteltjes, droog gras of hooi, doode plantenvezels, dunne stengels en drooge bladeren, en voor binnenwerk of voering: plantenpluis, haar en'veêren. De 4 à 6 blaauwe, soms duidelijk rood gevlekte eijeren worden alleen door het wijfje bebroeid. Het broeit slechts éénmaal, namelijk in Junij.[1]

De jongen in hun nestkleed zijn moeijelijk van jonge Nachtegalen te onderscheiden, vooral zoolang hun staart nog niet geheel ontwikkeld is. Bij nadere vergelijking merkt men echter op, dat de jonge Blaauwborstjes steeds bruiner aan de keel zijn. Het oude wijfje is over het geheele ligchaam graauwer gekleurd; keel en kin heeft zij vuilwit, den krop tot aan de borst graauw met zwartachtige dwarsbanden of, bij zeer oude voorwerpen, leikleurig, met lichte randen aan de'veêren; de borst bruin of rosbruin met eenigzins donkere schachtvlekken.

De zang van het mannetje kan, wat schoonheid van geluid betreft, met dien van den Nachtegaal op ééne lijn gesteld worden, doch zijne wijze van zingen is geheel verschillend; zijn lied gelijkt meer naar de kortere strophen van het Roodborstje; het is echter niet zoo treurig of klagend en stemt den toehoorder niet zoo zeer tot droefgeestigheid, als de voor onze ooren zoo gevoelige zang van het Roodborstje. Gewoonlijk valt de schoone zanger plotseling uit met een helderen, meestal dubbelen slag, fluit dan eene geheele reeks klimmende toonen, en eindigt bijna altijd met eene nog hoogere, helderklinkende, gerekte sluitnoot. Zijn zang is, ten opzigte van uitdrukking en maat, het best te vergelijken bij eene bravour-aria; die van het Roodborstje bij een slepende andante, en die van den


  1. In onze beschrijving van den Nachtegaal is het aantal broeisels verkeerdelijk als twee aangegeven. De Nachtegaal broeit echter, althans hier te lande, slechts éénmaal 'sjaars, doch soms zeer laat in den zomer, hetgeen mij, evenals vele anderen, tot de onderstelling heeft geleid, dat in zulke gevallen een vroeger broeisel was voorafgegaan. In het Zuiden van Frankrijk en Duitschland en in Oostenrijk broeit hij echter soms werkelijk te tweeden male.