Pagina:Land en volk van Sumatra (1916).djvu/35

Deze pagina is proefgelezen

15

Het is niet de bedoeling van dit werkje de oro-hydrographie van Sumatra, voorzoover die bekend is, te gaan beschrijven. Elke vulkaan, elke rivier zou voor hare—soms zeer belangwekkende — monographie een plaatsje kunnen vragen. Om den lezer eenigszins te oriënteeren willen wij de hoofdwaterscheiding nagaan en iets over de geologische gesteldheid en haar samenhang met den vorm en de geaardheid van het terrein mededeelen.

De hoofdwaterscheiding als uitgangspunt der orographische hoofdlijnen.

Die hoofdwaterscheiding loopt nu eens over de oudste gebergten en dan weer over jonge vulkanen; een lavastroom heeft soms die scheiding verlegd; ook volgt zij geenszins altijd de hoogste kammen. Geologisch of tectonisch heeft die lijn dus geene bijzondere beteekenis; alleen ten opzichte van de tegenwoordige rivierloopen en meren is zij van het grootste belang en daarom kozen wij haar als leiddraad door het bergen-labyrinth.


§ 7. Zuid-Sumatra.

De Boekit Sawah van de Vlakke Hoek, in het Zuiden vrij laag en vlak van kam, kan men rekenen te loopen tot de Seminoeng, (1846 M.) den rustenden vulkaan, die ontstaan is in de kraterruimte van den ingestorten Ranau-vulkaan. Het overige van die ruimte vormt nu de Ranau, d.i. het Meer, 559 M. boven zee, meer dan 200 M. diep en 106 K.M.2 groot, d. i. bijna 2/3 der oppervlakte van de Haarlemmermeer (die 18000 H.A. groot is).

In de Seminoeng eindigt ook de vulkanenrij, die het middelste der drie Zuidelijke schiereilanden bedekt, en waartoe als hoogste vulkaan de Tangkamoes of Keizerspiek (2262 M.) behoort.

Die twee evenwijdige gebergten sluiten het dal der Semangkö in, waarvan het bovenste deel (op + 900 M. hoogte), gevormd wordt door een der oude meerbodems, thans diluviale plateaux, met tuf uit de omringende vulkanen bedekt, welke voor Sumatra's bergland van zooveel belang zijn.

De westelijke oever der Lampoengsbaai tot voorbij Teloek Betoeng is eene hooge dwarskust, dus met veel baaien en rotseilanden. De Oostelijke kust is vlak, maar op de Zuidpunt van het derde schiereiland verheft zich de lage uitgedoofde vulkaan Radjăbasǎ (1341 M.).