Pagina:Marcellus Emants - Een nagelaten bekentenis (1894).djvu/113

Deze pagina is gevalideerd

Dikwijls genoeg had ik vóór mijn huwelijk me afgevraagd: hoe ben ik; kan ik haar gelukkig maken? Nooit was 't me ingevallen te onderzoeken hoe zij was, of zij mij gelukkig kon maken.

Voor zover ik, als uitzondering, in staat ben een exemplaar van de regel te beoordelen geloof ik, dat Anna in de volste betekenis van de uitdrukking een mens met principes is geweest. 't Was, of haar moeder het kind, in plaats van met melk, gevoed had met de voorschriften van 't geen een fatsoenlijke vrouw doen moet of laten. Bij Anna waren deze voorschriften zo deugdelijk in het bloed opgenomen, dat zij nooit aarzelde omtrent haar „plicht". Ik benijdde die zekerheid; doch vond haar tegelijkertijd bekrompen. Vele bergen van moeilijkheden had deze opvoeding voor haar geëffend; maar tevens was Anna er verbazend eigengereid door geworden. Zolang ze maar niet afweek van die geijkte „plicht" voelde ze zich op een hoog voetstuk van voortreffelijkheid staan en beoordeelde ze de mensen van ander maaksel even eenzijdig onrechtvaardig als trots kwalijknemend. Laag zag zij neer op hen, die, streng en veeleisend tegenover anderen, zacht en toegevend voor hun eigen fouten zijn; maar naast de hoge eisen, die zij stelde aan zich zelf, stond de strenge eis aan haar medemensen: haar verdienste te erkennen en op prijs te stellen. Zij wilde zich vlekkeloos kunnen vinden, al moest zij de vervulling van vurige wensen daaraan opofferen; maar zij wilde ook aan die vlekkeloosheid het recht ontlenen op hen, die haar niet bewonderden, laatdunkend neer te zien.

En mijn bewondering—die nooit heel vurig was geweest—verflauwde nog, naarmate zij even meedogenloos bleek voor mijn zwakheden als blind voor mijn beetje goeds. De plicht was haar afgod, plichtsvervulling haar leven; maar waarin haar plicht bestond, dat kon en mocht niemand beoordelen dan zij alleen. Of zodoende die plichtsvervulling ook ontaarde in de eredienst van een voortreffelijk ik was een vraag, die nooit bij haar opkwam.

109