Pagina:Marcellus Emants - Een nagelaten bekentenis (1894).djvu/123

Deze pagina is gevalideerd

einde was geweest, dat de Kantere haar aanbod, om een beetje moedertje te spelen over zijn dochter, met dankbaarheid had aanvaard!

„Al de liefde van een vader"—had hij gezegd—„kan nooit geheel de vrouwelijke zorgen vervangen."

Waarschijnlijk zou in deze omstandigheden elke andere man nu toch wel een kennismaking met de Kantere hebben gezocht en verlangd. Mij werd zo iets met de dag onmogelijker. Zowel mijn koppigheid tegenover Anna als mijn schichtigheid tegenover de Kantere groeiden door de zekerheid en het vermoeden, dat ze waren opgemerkt. Van mijn kamer uit zag ik de dominee bijna dagelijks hele uren lang met Anna en Sofietje rondslenteren door mijn tuin. Ik bestudeerde zijn gemaakte gesticulatie, ving galmen op van zijn klankvolle stem en toch wisselden we samen niet eenmaal een zwijgende groet, wanneer we elkander toevallig op straat ontmoetten.

Ten slotte begon het dwaze van deze verhouding me te hinderen en op een avond, nadat wij elkaar in de stad weer rakelings waren voorbij gegaan, bracht ik onder de thee de zaak ter sprake. Geen boos woord is me bij die gelegenheid ontglipt. Ik zei eenvoudig:

„Meneer de Kantere schijnt te geloven, dat ik hier in huis op kamers woon."

Toch viel Anna dadelijk bits uit:

„Als je wilt, zal ik hem morgen zeggen, dat Sofietje hier niet meer over de vloer mag komen, omdat hier alles van jou is en niets van mij! Het arme kind, dat geen moeder meer heeft, speelt graag met mij in de tuin; maar als dit voor jou een reden is om haar vader onbeleefd te behandelen, dan kunnen we even goed samen in het bos gaan wandelen."

Ik zei geen woord meer; doch het trof me, dat ze ook nu weer over Sofietje antwoordde, nadat ik haar aan had gesproken over de Kantere.

Hoe zij over hem dacht vertelde ze mij nooit. Noemde ze zijn naam, dan was 't uitsluitend in verband met zijn grote vaderlijke liefde, waarvoor zij haar bewondering—niet

119