Pagina:Marcellus Emants - Een nagelaten bekentenis (1894).djvu/136

Deze pagina is gevalideerd

gevoel was, dat mijn waarheidsliefde daardoor plotseling verdween en de oude lust om een mooi figuur te maken weer in me opkwam. Ik voelde volmaakt goed het leugenachtig theatrale van mijn antwoord, toen ik, haast fluisterend, hem toevoegde:

„Wie geven wil, moet iemand vinden, die wil aannemen en dat is minder gemakkelijk dan het zo oppervlakkig lijkt."

Bij deze woorden rees de Kantere zo schielijk op, dat ik meende niet verstaan te zijn. Thans geloof ik, dat het tegendeel het geval is geweest. Hij deed, alsof hij ongemerkt zijn tijd had vergeten, stak me de hand toe en zei tot afscheid:

„Als u 't mij vergunt zullen we een gesprek, dat bijzonder interessant voor me is geweest, een andere keer eens voortzetten. Ik vlei me... ' t is misschien wat aanmatigend... maar ik vlei me u tot andere inzichten te kunnen brengen. Daarvoor heb ik evenwel meer tijd nodig, dan me nu nog rest."

Ik hield me aanbevolen, liet hem uit en werd toen eerst mijn verbazende opwinding gewaar. Mijn wangen waren dof rood van de congestie, mijn ogen brandden en alles trilde me aan het lijf.

Onmogelijk had ik weer kunnen lezen of zelfs maar zitten blijven. Na haastig wat gegeten te hebben, de nieuwsgierige vragen van Anna—die ik de vorige keer zo gemakkelijk droogweg had beantwoord —steeds ontwijkend, liep ik het bos in, om al wandelend het besprokene te recapituleren.

Ik deed 't niet ééns, maar wel honderd maal; onophoudelijk hoorde ik de Kantere weer van voren af aan beginnen en kwamen mijn tegenwerpingen ook weer terug. Er waren ogenblikken, dat het me speet hem zoveel te hebben gezegd. Dan kleurde ik in mijn eenzaamheid. Soms ook meende ik me veel te kort en onduidelijk te hebben uitgedrukt. Dan begon mijn hart sneller te kloppen en voelde ik een gejaagd verlangen naar het volgende onderhoud. Ten slotte doorstraalde me een heerlijke voldaanheid, alsof ik een diepe en mooie emotie had genoten.

132