Pagina:Marcellus Emants - Een nagelaten bekentenis (1894).djvu/15

Deze pagina is gevalideerd

vragen; maar deden zij 't, dan weigerde ik zelden. Goedhartigheid was dit niet; daarvoor bleven ze mij te onverschillig; vermoedelijk dreef me de ijdelheid, die zich gestreeld voelde door het ongewone verzoek.

Dat deze ijdelheid me nooit eerzuchtig heeft kunnen maken, heb ik altijd toegeschreven aan lichamelijke zwakte. Elke poging om te volharden greep mij zodanig aan, dat ik slechts uitputting, geen bevrediging kon vinden in de overwinning van hinderpalen. Weinig dingen hebben mij in mijn jongelingsjaren meer verbaasd dan de ambitie van mijn medescholieren om elkander de loef af te steken. Als ik hen van plannen hoorde spreken om op één te komen, als ik de zenuwachtigheid gadesloeg, waarmee zij de cijfers van hun driemaandelijkse rapporten vergeleken, als ik hun buien van plezier-opofferende werklust waarnam, dan was 't me te moede, alsof ik, met mijn kalme onverschilligheid voor officiële onderscheidingen, met mijn volkomen gebrek aan belangstelling in het oordeel van mijn meesters en met mijn onlesbare dorst naar afwisselende pretjes, een wezen van geheel ander—ik gaf toe slechter—gehalte was dan al de overigen. De woorden: vooruitkomen en beroemd worden oefenden niet de minste aantrekkingskracht op mij uit. Wel begreep ik, dat iemand, die arm is, leren moet, om later met zijn wetenschap geld te kunnen verdienen; maar de jongens hadden me verteld, dat mijn papa vermogend was: de omstandigheid, dat hij niets meer uitvoerde, scheen dit te bevestigen... waarom zou ik me dus moeite geven voor zulke onaangename dingen als algebra, cosmografie of maten en gewichten? Was papa rijk genoeg, om zonder iets te verdienen zich al de pretjes te verschaffen, die hij begeerde, dan zou dit met mij—zijn enige zoon—ook het geval zijn. Ik nam me wel voor andere, interessantere, avontuurlijkere plezieren op te zoeken dan papa deed, die alleen afleiding voor zijn zenuwachtigheid en zeldzame spijzen of wijnen voor zijn gebrek aan eetlust scheen te verlangen; maar voor de verwezenlijking van mijn nog zeer onduidelijke idealen was 't stel-

11