Pagina:Marcellus Emants - Een nagelaten bekentenis (1894).djvu/153

Deze pagina is gevalideerd

Daarbij werd ik veel goediger voor Anna gestemd. De gedachte beheerste me, dat ons samenleven minstens dragelijk kon worden, als ik maar elders vond, wat ik thuis moest ontberen. ' t Is waar, ik zou 't Anna niet bekennen; maar had ik geen recht aan een ander te schenken wat zij versmaadde? En, nu zij me niets kwam vragen, niet eenmaal haar verwondering te kennen gaf over mijn buitengewoon-laat-thuis-komen, nu ze, even als ik, zeldzaam opgeruimd leek, zelfs zacht zingend het huis doorliep, was 't nu niet duidelijk, dat ook zij nogmaals een compensatie had gevonden voor de teleurstelling van haar huwelijk?—Vermoedelijk was haar geluk, net als het mijne, een transactie met haar ideaal; maar, mijn hemel, welk geluk is iets meer in de serie van begoochelingen gevolgd door ontgoochelingen, die een mens zijn levensloop noemt? Het leek me zelfs wel pikant ieder een geheim te hebben, dat de ander volgens een stilzwijgende overeenkomst zou eerbiedigen.

Toch trok er al aan het tweede ontbijt een wolkschaduw over de lichtglans in mijn binnenste heen.

Laat opgestaan had ik Anna wel uit de verte gehoord, maar nog niet gesproken. Na haar zingen verwonderde 't me niet een ongewoon blijde uitdrukking op haar gezicht waar te nemen. Terwijl de meid haar van een bedelaar vertelde, die allerlei wonderbaarlijke verhalen had opgehangen, zag ik duidelijk haar oude geluidloze lach, die lach zonder minachting, terug, waarbij 't was, of haar licht blauwe ogen meelachten. Haar bewegingen, die sedert de dood van ons kind iets lusteloos hadden gekregen, waren weer levendiger geworden en—doch misschien verbeeldde ik me dit maar—de plooi tussen haar wenkbrauwen was minder diep.

Juist had ik me onwillekeurig de vraag gesteld: zou de Kantere gisteren avond hier zijn geweest, toen ze me vertelde dat hij tegen acht uur was gekomen en tot half elf gebleven.

De woorden glipten me van de lippen:

„Omdat hij wist, dat ik uit was?"

149