Pagina:Marcellus Emants - Een nagelaten bekentenis (1894).djvu/156

Deze pagina is gevalideerd

Anna... de koude Anna, het gevoel aanbevelend als een werktuig om door te dringen in het gemoedsleven van andere mensen!... Er viel niet aan te twijfelen, dat ze hiermee eenvoudig iemand, dus de Kantere, napraatte.

En wederom bracht dit me op de gedachte, dat zij 't samen over mij hadden gehad.

Wat hadden ze—vooral wat had hij—dan wel van me gezegd?

Ik zou 't graag vernomen hebben; maar durfde 't weer niet rechtstreeks vragen. Daarom beproefde ik er achter te komen langs een omweg.

„Zo... is de Kantere zo lang gebleven... Dat kan een interessante avond voor je geweest zijn... Waarover hebben jelui 't al zo gehad?"

„Ach... over allerlei dingen. Ik weet 't zo precies niet meer. Hij heeft me van zijn boek verteld... het boek, dat jij nu leest. Hij kent 't bijna helemaal van buiten... Wat een prachtige dingen staan daar in en zo waar! Jij vindt ze natuurlijk niet waar. Dat wil je gaan zeggen; maar 't is heus onnodig. Dan... dan hebben we over Sofietje gepraat en ook over zijn vrouw."

Ze had gelijk: een discussie over wijsgerige onderwerpen met Anna kwam ook mij volmaakt onnodig voor. Ik liet de Kantere's boek dus rusten en vroeg alleen:

„Is die al lang dood?"

„Wel neen, pas anderhalf jaar. Om met haar naar het Zuiden te kunnen gaan heeft hij zijn hele carrière opgeofferd en nu zit hij weer in zorgen voor zijn kind."

Ik zweeg, verwachtende, dat er wel een vergelijking zou volgen tussen de Kantere en mij. Daarin vergiste ik me echter; al gauw ging ze voort:

„Hij heeft me veel van zijn leven verteld en... al wil hij van zijn vrouw geen kwaad zeggen of horen... ik geloof niet, dat die twee samen gelukkig zijn geweest."

„Wie zijn dat wel?"

Ze deed alsof ze mijn uitval niet hoorde.

„Toch schijnt hij voorbeeldig te hebben opgepast. Ja, die man staat heel hoog en dat is zeker juist de reden van zijn

152