Pagina:Marcellus Emants - Een nagelaten bekentenis (1894).djvu/167

Deze pagina is gevalideerd

de omstandigheid, dat haar vader mijn geld nog in zijn bezit had, ja, ten slotte, als zij 't verlangen zou, politie en rechterlijke macht... alles zou haar helpen, mij tegenwerken.

En ik vermocht niets, zolang zij maar het voorgeschreven grenslijntje, dat de conventionele moraal tussen verboden en geoorloofd genot getrokken heeft, niet overschreed.

Alsof er niet altoos aan de feitelijkheid, die echtbreuk heet en die maar een gevolg, soms zelfs maar een onvoorzichtigheid is, een breuk van twee zielen of twee zinnelijkheden voorafgaat, waarin de ganse scheiding al ligt opgesloten! Ons hele verschil was, dat voor mij de bevrediging pas begon met de daad, terwijl zij zich in het willen vermeide met het geruststellend bewustzijn van een tijdige zelfbeheersing. Maar het mensdom verlangt feiten, ziet alleen feiten, oordeelt alleen over feiten!

Daardoor was 't dus ook nu weer niet alleen Anna, die vijandig tegenover me stond; maar achter haar de hele menselijk-maatschappelijke samenleving met zijn star willekeurige onderscheiding van goed en kwaad en zijn onzinnige regelen, waarnaar zij vrijspreekt of vonnist.

Het was Anna, die nog altijd rood van opwinding en boosheid, enigszins hakkelend het gesprek begon:

„Nu de Kantere al zo gauw heengaat, zal hij denkelijk hier niet meer komen eten. Trouwens... dat kan ook geen genoegen voor hem zijn na de ondervinding van vandaag. Maar... we zullen hem nog wel eens samen ontmoeten. Ik verzoek je vriendelijk me dan... in zijn tegenwoordigheid... wat beleefder toe te spreken dan je van avond hebt gedaan."

Nog zie ik haar zitten. Voorbij waren de ogenblikken van genot, waarop zij zich had verheugd en die vergald waren geworden door mijn scherpe uitvallen. Thans was zij weer de Anna van een paar weken geleden, het koude, ondoorgrondelijke beeld met de stalen blik, de opgetrokken neus en de neergebogen mondlijn.

Verhit door de wijn en de likeur had ik weinig lust me zo ijzig bedaard terecht te laten wijzen.

163