Pagina:Marcellus Emants - Een nagelaten bekentenis (1894).djvu/171

Deze pagina is gevalideerd

ving, als zoenden ze elkander, over het zachte karmijnrood een vochtige glans onderhielden en hoe 't me bij haar vraag eensklaps te moede werd, of er uit mijn maag een gulp gal opsteeg naar mijn keel.

„Stil," riep ik uit. „zwijg over dat geld... of ik loop de deur uit en kom nooit meer terug!"

Zij schrok van mijn heftigheid, zoende me weer en suste: „Nu... nu... nu; word maar niet boos, je bent lief"; maar nadat ze een poos, glimlachend en me altijd door strelend en kussend, gezwegen had, begon ze toch weer van voren af aan en nu was 't, of er allengs harmonie kwam in haar eis en mijn verlangen. Ik maakte me diets onrechtvaardig te zijn geweest. Indien ik vergde, dat Carolien helemaal voor mij zou wezen, dan moest ook ik immers helemaal voor haar zijn. Zolang zij niet enige zekerheid bezat, dat ik haar langer zou verzorgen dan in de regel de eerste bekoring van een vrouw stand houdt, zolang had zij volkomen gelijk geen middel onbeproefd te laten om zoveel mogelijk geld te slaan uit onze verhouding en zich daardoor te vrijwaren voor armoede op haar oude dag.

Als ze niet een beetje van me hield, althans genot bij me vond, gelijk ik bij haar, dan had ze me al lang een plaatsvervanger gegeven of haar gunsten met anderen doen delen. Een mooi kind als zij moest zeker meer aanbidders afwijzen dan ze aannemen kon; ergo was ik, ondanks het geld, toch wel een „amant de coeur", minstens iemand, die zij boven anderen voortrok.

Bespottelijke redenering en kwajongensachtige zelfverlakking; ik spreek 't niet tegen; maar ook het enige middel om mij het leven dragelijk te maken. Verloor ik Carolien, dan—ik wist 't immers bij ondervinding—was ik niet in staat een vrouw te vinden, wier liefkozingen de hare konden vervangen.

Met het beeld van haar heerlijke mond in mijn ogen, met de smaak van haar zoenen op mijn lippen ging ik naar huis, vast besloten tot elke prijs van Anna te scheiden en ik vatte niet meer, dat ik nog gisteren avond Carolien

167