Pagina:Marcellus Emants - Een nagelaten bekentenis (1894).djvu/200

Deze pagina is gevalideerd

„Of... je krijgt maandelijks vijftig zoenen minder," maar ik vermoedde toch, dat zich een mededinger, misschien wel het ventje uit de opera, aan had gemeld, die ze bereid was in mijn plaats te stellen of naast me aan te nemen.

Ik begreep ook, dat er op die vijftig gulden meer niets viel af te dingen; doch de handel vervulde me voor 't ogenblik met zulk een weerzin, dat de toestemmende frase niet over mijn lippen wilde komen. Ik beloofde er over te zullen denken en liep al gauw het huis uit, even boos als verdrietig, dat ook dit beetje geluk me telkens vergald werd.

En toen ik de volgende dag onverwachts terugkeerde om maar weer toe te geven en haar te verblijden met die tijding, deed een nieuwe meid open, die zei, dat de juffrouw me niet ontvangen kon.

„Waarom niet?"

„Meneer is boven."

't Was, of het schepsel me een slag om de oren gaf. Alles wiebelde me voor de ogen en ik moet haar een minuut lang verwilderd hebben aangekeken, eer ik vragen kon: „Wie?"

„Dat weet ik niet."

En toen vond ik niets anders te doen dan maar zwijgend weer heen te gaan.

Eerst ging ik niet ver... de straat uit en weer terug. Daarna bleef ik minstens een kwartier lang het gesloten huis verbijsterd aanstaren, als hoopte ik, dat de gordijnen vaneen zouden schuiven en mijn ogen zouden zien, wat daar achter voorviel. Maar de strakke lichtstrepen in de doodse grauwe muur verbreedden zich niet; de hel verlichte traptreden bleven ledig oplopen en ik eindigde met wanhopend weg te dwalen straat in straat uit, zonder te beseffen, waarheen mijn benen me voerden.

Al lopend begon ik hem te zien: die onbekende, die meneer, waardoor mijn plaats was ingenomen. Neen, 't was niet het ventje van de opera.

Ik zag hem als een grote, breedgeschouderde kerel met

196